Technische gids · Aarding

Aardingsweerstand: welke waarde, hoe meten & de differentieel testen

De aardelektrode en de differentieel vormen het duo dat u tegen elektrocutie beschermt. Daarvoor moet de aarding een voldoende lage weerstand hebben én moet de differentieel uitschakelen. We leggen uit welke waarde u moet halen, hoe de spreidingsweerstand gemeten wordt, en hoe u de differentieel test. Opgesteld door Atlas Contrôle, erkend organisme BELAC ISO 17020 nr. 663-INSP.

Veiligheid: een meting van de spreidingsweerstand gebeurt nooit onder spanning, en het openen van de aardingsonderbreker zet uw installatie tijdens de meting buiten bescherming. Deze handelingen zijn voor een uitgeruste professional — deze gids is didactisch.

Welke waarde nastreven?

De spreidingsweerstand van uw aardelektrode meet hoe makkelijk een foutstroom in de bodem wegvloeit. Hoe lager, hoe beter.

< 100 Ω

Het reglementaire maximum voor een residentiële installatie.

< 30 Ω

De aanbevolen waarde: comfortabele veiligheidsmarge.

Voor een niet-residentiële laagspannings- of hoogspanningsinstallatie gelden andere grenswaarden. Een te hoge aarding belet de differentieel de fout te « zien » en laat een gevaarlijke aanraakspanning bestaan: een klassieke non-conformiteit van de AREI-keuring.

Hoe de spreidingsweerstand gemeten wordt

De meting gebeurt met een aardingsmeter, volgens de piketmethode: twee hulpelektroden in een rechte lijn, op 62 % en 100 % van de afstand, vormen samen met de aardelektrode een meetkring.

Aardingsmeter Earth Voltage < 10 V E aardelektrode 0 % S piket 62 % H piket 100 %
1

De aardelektrode isoleren. Men opent de aardingsonderbreker om ze te scheiden van de rest van de installatie (die spanningsloos moet zijn), en plant dan de 1ᵉ hulpelektrode op 5-10 m en de 2ᵉ 5-10 m verder, in een rechte lijn. Vergeet niet de onderbreker na de meting weer te sluiten.

2

De aardspanning nakijken. Op de stand « Earth Voltage » mag de stoorspanning niet hoger zijn dan 10 V. Daarboven is een correcte meting onmogelijk — een ander toestel of een herpositionering van de piketten is nodig.

3

De weerstand aflezen. Men start op het hoogste meetbereik en gaat geleidelijk lager tot een stabiele, leesbare meting. Daarna vergelijkt men met de grens (< 100 Ω, ideaal < 30 Ω).

De werking van de differentieel controleren

Een goede aarding dient tot niets als de differentieel niet uitschakelt — en omgekeerd. Twee controles horen bij de aardingsmeting:

  • Elk stopcontact moet met de aarde verbonden zijn. Men controleert de correcte verbinding met een ohmmeter of een stopcontacttester.
  • De differentieel moet onderbreken. De « test »-knop wekt een interne foutstroom op: de onderbreking moet onmiddellijk zijn. Een speciaal toestel meet bovendien de uitschakeltijd onder een geijkte foutstroom, die onder de normdrempel moet blijven.

Voor alles over de differentieeltypes (AC, A, B), de gevoeligheden 30 mA / 300 mA en de exacte rol van elke beveiliging, zie onze gids automaat, differentieel & zekering.

Is uw aarding conform?

De meting van de aardingsweerstand en de test van de differentieels maken integraal deel uit van de AREI-keuring. Atlas controleert, meet en levert het officiële attest — overal in België.

Veelgestelde vragen

Welke aardingsweerstand voor een woning?
De spreidingsweerstand van de aardelektrode moet lager zijn dan 100 Ω, en bij voorkeur lager dan 30 Ω voor een residentiële installatie. Hoe lager de waarde, hoe beter de foutstroom naar de aarde wegvloeit en hoe doeltreffender de differentieel uitschakelt. Voor een niet-residentiële laagspannings- of hoogspanningsinstallatie gelden andere grenswaarden.
Hoe meet men de aardingsweerstand?
Men meet de spreidingsweerstand met een aardingsmeter en de piketmethode: twee hulpelektroden in een rechte lijn (de eerste op 5-10 m van de aardelektrode, de tweede 5-10 m verder). Men opent eerst de aardingsonderbreker om de aardelektrode van de rest van de installatie te scheiden, die spanningsloos moet zijn — een meting gebeurt nooit onder spanning. Men controleert dat de aardspanning (Earth Voltage) niet hoger is dan 10 V en leest dan de weerstand af. Men sluit de onderbreker na de meting verplicht weer.
Wat als mijn aardingsweerstand te hoog is?
Overschrijdt de waarde 100 Ω, dan is de aardelektrode ontoereikend en moet ze verbeterd worden. Gangbare oplossingen: een aardpen toevoegen of dieper inslaan, een aardlus in de funderingssleuf plaatsen, het contact grond/elektrode verbeteren (te droge of stenige bodem), of gecorrodeerde verbindingen nakijken. De AREI-keuring stelt dit systematisch vast; een elektricien verbetert vervolgens de aarding.
Vervangt de differentieel een goede aarding?
Nee, beide zijn complementair. De differentieel detecteert de lekstroom en onderbreekt de voeding; de aardelektrode biedt de foutstroom een weg van lage weerstand naar de aarde, waardoor de differentieel de fout net kan « zien » en uitschakelen, en de gevaarlijke aanraakspanning beperkt blijft. Een goede aarding zonder differentieel, of een differentieel zonder goede aarding, beschermen niet correct. Elk stopcontact moet trouwens met de aarde verbonden zijn.
Hoe test men een differentieel?
De snelle test gebeurt met de « test »-knop van het toestel, die een interne foutstroom opwekt: de differentieel moet onmiddellijk onderbreken. Voor een volledige controle injecteert een speciaal testtoestel een geijkte foutstroom en meet de uitschakeltijd, die onder de normdrempel moet blijven. Men controleert ook dat elk stopcontact correct met de aarde verbonden is (met een ohmmeter of stopcontacttester).