Naar de inhoud

NBN D 51-003 · NBN/DTD B 61-002 · BELAC ISO 17020

Welke norm geldt voor uw gasinstallatie in België?

Een woning op aardgas, een gebouw met collectieve stookplaats, een propaantank op het platteland: elke situatie valt onder een andere norm gasinstallatie België. NBN D 51-003, NBN D 51-004, NBN D 51-006, NBN/DTD B 61-001 en NBN/DTD B 61-002 verdelen het terrein onder elkaar — en sinds de terugtrekking van de 61-reeks versie 2019 raakt men er makkelijk het spoor bijster. Deze Atlas-fiche vertelt u welke norm uw geval betreft, hoe die teksten samenhangen, en wat dat verandert bij een keuring.

Aardgas

NBN D 51-003

Binneninstallaties op aardgas: diameter ≤ DN 50, druk MOP ≤ 100 mbar. Hét referentiekader voor woningen.

Grote debieten

NBN D 51-004

Diameter > DN 50 of druk > 100 mbar (tot 15 bar). Tertiaire en industriële installaties.

LPG

NBN D 51-006

Installaties op butaan en commercieel propaan: tanks, flessen, LPG-leidingen.

Verwarming

NBN/DTD B 61

B 61-002: CV-ketels < 70 kW. B 61-001: stookplaatsen ≥ 70 kW. Lokaal, lucht, rookgassen.

Waarom meerdere normen? Twee logica's die elkaar aanvullen

Het Belgische normenkader voor gas beantwoordt twee verschillende vragen. De eerste: hoe geraakt het gas tot bij de toestellen? Dat is het domein van de NBN D 51-reeks — leidingen, aansluitingen, dichtheid — opgesplitst volgens gassoort en druk: D 51-003 voor gangbaar aardgas, D 51-004 voor grote diameters en hogere drukken, D 51-006 voor butaan en propaan.

De tweede: waar en hoe worden de verwarmingstoestellen opgesteld? Dat is het domein van de NBN B 61-reeks (vandaag gepubliceerd als technische documenten NBN/DTD): opstellingsruimte, verbrandingsluchttoevoer, afvoer van de verbrandingsproducten. De scharnierdrempel is het totaal nominaal vermogen van 70 kW: daaronder geldt de NBN/DTD B 61-002:2021, vanaf 70 kW de NBN/DTD B 61-001:2021 met haar stookplaatseisen.

Beide logica's gelden samen: ook voor een ketel die onder de B 61-reeks valt, moeten de gebruiksvoorwaarden en de eisen in verband met de aansluiting op de aardgasbinnenleiding uit § 6 van de NBN D 51-003:2010 + addendum:2014 steeds gerespecteerd worden. En de NBN D 51-003 bevat zelf de technische en veiligheidseisen (verbrandingslucht, afvoer, ventilatie van het lokaal) voor open en gesloten toestellen die niet onder de B 61-reeks vallen — gaskachels, stralingstoestellen, aërothermen, inbouwhaarden.

Bovenop dat alles kan het KB "Brand" van 7 juli 1994 bijkomende eisen stellen aan de lokalen waar verwarmingstoestellen worden opgesteld in nieuwe gebouwen — daar komen we verder op terug. Voor een overzicht van de gaskeuring zelf verwijzen we naar onze volledige gids gaskeuring.

NBN D 51-003 — de basis voor residentieel aardgas

De NBN D 51-003:2010 + addendum:2014 is de referentienorm voor binneninstallaties op aardgas waarvan de leiding de diameter DN 50 niet overschrijdt en de werkingsdruk MOP niet boven 100 mbar uitkomt — met andere woorden, nagenoeg alle woningen en kleine gebouwen die op het distributienet zijn aangesloten. Het is de norm die uw installateur en uw keuringsorganisme het vaakst citeren, en de basis van de dichtheidstest die bij elke keuring wordt uitgevoerd.

Naast de leidingen legt de D 51-003 de technische en veiligheidseisen voor open en gesloten gastoestellen vast die niet onder de NBN/DTD B 61-001 en B 61-002 vallen, en dit voor drie luiken: de toevoer van verbrandingslucht, de afvoer van de verbrandingsproducten en de ventilatie van de opstellingsruimte. Typische voorbeelden: stralingstoestellen, aërothermen, gaskachels, inbouwhaarden en sierhaarden.

Sinds 8 april 2021: sanitair warm water keert terug naar de D 51-003

Verbrandingstoestellen die enkel bestemd zijn voor de productie van warm water met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW (badgeisers, boilers) vallen niet meer onder de B 61-002: zij ressorteren opnieuw onder de NBN D 51-003:2010 + addendum:2014. Enkel ketels voor centrale verwarming — al dan niet gecombineerd met sanitair warm water — blijven binnen het toepassingsgebied van de B 61-002.

De toestelclassificatie waarop de norm steunt (open type B, gesloten type C, niet-aangesloten type A) wordt uitgelegd in onze fiche typologie toestellen A/B/C.

NBN D 51-004 en NBN D 51-006 — voorbij het residentiële aardgas

NBN D 51-004 — grote diameters en hogere drukken

Zodra de binnenleiding de diameter DN 50 overschrijdt of de werkingsdruk boven 100 mbar uitkomt (tot 15 bar), verlaat men het toepassingsgebied van de D 51-003 en komt men in dat van de NBN D 51-004 terecht. Men treft ze aan in de tertiaire sector en de industrie: grote professionele keukens, industriële processen, interne netten van uitgestrekte sites. Goed om weten: de versie 1992 van de D 51-004 herneemt bepaalde specifieke eisen van de D 51-003 niet — zoals die rond de gastoevoer naar een stookplaats —, wat verklaart waarom de inspecteur nauwkeurig nagaat welke tekst welk deel van uw installatie dekt.

NBN D 51-006 — butaan en propaan

Geen aansluiting op het distributienet? Installaties gevoed met butaan of commercieel propaan — ondergrondse of bovengrondse tank, gasflessen — vallen onder de NBN D 51-006. De filosofie is die van de D 51-003, aangepast aan de eigenheden van LPG: het gas wordt ter plaatse vloeibaar opgeslagen en ontspannen vóór verdeling, wat eigen eisen meebrengt voor opslag, ontspanning en leidingen. Atlas keurt deze installaties volgens de D 51-006; onze gids propaan/butaan behandelt de verschillende gevallen (tank, flessen, ontspanningskasten).

De juiste reflex

Drie vragen volstaan om uw leiding te situeren: welk gas (aardgas of LPG)? Welke diameter (tot DN 50 of daarboven)? Welke druk (tot 100 mbar of daarboven)? Aardgas + ≤ DN 50 + ≤ 100 mbar = NBN D 51-003. Aardgas boven één van die drempels = NBN D 51-004. Butaan/propaan = NBN D 51-006.

NBN/DTD B 61-002:2021 — CV-ketels kleiner dan 70 kW

De NBN B 61-002 — vandaag gepubliceerd als technisch document NBN/DTD B 61-002:2021 — omkadert de centrale verwarmingsketels met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW: voorschriften voor hun opstellingsruimte, hun luchttoevoer en hun afvoer van de verbrandingsproducten. Een centrale verwarmingsketel in de zin van de norm is een verbrandingstoestel dat een fluïdum op temperatuur brengt voor de centrale verwarming van een gebouw (warm water, warme lucht of een andere warmtedrager), al dan niet gecombineerd met de productie van sanitair warm water.

Wanneer gelden § 6/§ 7, wanneer komen § 4/§ 5 erbij?

Dit is de meest misbegrepen subtiliteit van deze norm — en een klassieke bron van discussie op de werf:

  • § 6 (verbrandingsluchttoevoer) en § 7 (afvoer van de verbrandingsproducten): altijd. Zodra u één of meerdere CV-ketels plaatst met een totaal geïnstalleerd vermogen kleiner dan 70 kW, moeten deze twee hoofdstukken worden nageleefd — nieuw, vernieuwd of bestaand gebouw, met of zonder vergunning.
  • § 4 (de ruimte) en § 5 (de ventilatie van de ruimte): bijkomend, voor nieuwe of vernieuwde gebouwen met bouwaanvraag. De eisen voor het lokaal waarin de ketel(s) worden geplaatst, gelden additioneel in nieuwe gebouwen of vernieuwde gebouwen waarvoor een bouwaanvraag moet worden ingediend. Er moet dus al bij het opmaken van het bouwvoorontwerp rekening mee worden gehouden.

Waar mag de ketel worden opgesteld?

Het technisch document onderscheidt drie opstellingsconfiguraties:

CV-ketel type B — Pn,tot < 30 kW CV-ketel type B — 30 ≤ Pn,tot < 70 kW CV-ketel type C — Pn,tot < 70 kW
Alle lokalen toegelaten, behalve slaapkamer, badkamer, doucheruimte en WC Technische ruimte verplicht — uitzondering in een eengezinswoning: een lokaal zonder woonfunctie volstaat Geen beperkingen qua opstellingsruimte

In alle gevallen volgt de vrije ruimte rond de ketel de instructies van de fabrikant, en is plaatsing in een kast of wandkast toegelaten — zowel voor open als gesloten verbrandingskringen — als de voorschriften voor de toevoer van verbrandingslucht en ventilatielucht worden nageleefd.

De verbrandingsluchttoevoer in één oogopslag

Sinds de terugkeer naar de oorspronkelijke teksten wordt de luchttoevoer van ketels type B gedimensioneerd via de doorlaat van elke opening, in cm² per geïnstalleerde kW:

Type toestel Bestaand gebouw — luchttoevoeropening direct naar buiten Bestaand gebouw — met 1 doorstroomopening Bestaand gebouw — met 2 doorstroomopeningen Nieuw / vernieuwd gebouw — directe opening
B16 cm²/kW8 cm²/kW10 cm²/kW6 cm²/kW
B2 / B33 cm²/kW4 cm²/kW5 cm²/kW3 cm²/kW
  • Geen enkele opening mag kleiner zijn dan 50 cm²;
  • Doorstroomopeningen zijn enkel toegelaten in een bestaand gebouw, tot Pn = 30 kW;
  • Bovenventilatie van een lokaal met minstens één CV-ketel type B < 70 kW: minimaal 1/3 van de doorlaat van de verbrandingsluchttoevoer, met een minimum van 50 cm² — enkel voor nieuwe of vernieuwde gebouwen met bouwaanvraag.

De volledige dimensionering — met inbegrip van de ventilatie van lokalen met enkel gesloten ketels type C — komt aan bod in onze fiche ventilatie en luchttoevoer van gastoestellen.

NBN/DTD B 61-001:2021 — de norm stookplaats vanaf 70 kW

Zodra het geïnstalleerde vermogen de kaap bereikt, verandert het register: de norm stookplaats 70 kW, dat is de NBN/DTD B 61-001:2021 — "stookplaatsen en schoorstenen: toestellen voor centrale verwarming of productie van warm water". Zij dekt de bouwkundige eisen van het lokaal, zijn uitrusting, de luchtaanvoer en luchtafvoer en de afvoer van de verbrandingsproducten.

Zij is van toepassing wanneer u een warmtegenerator ≥ 70 kW plaatst, of meerdere generatoren waarvan het totaal geïnstalleerde vermogen ≥ 70 kW is, in een nieuw te voorzien stooklokaal in een bestaand, nieuw of vernieuwd gebouw waarvoor een bouwaanvraag moet worden ingediend. Een warmtegenerator in de zin van de norm produceert warme lucht, warm water, stoom of een andere warmtedrager voor de centrale verwarming, de luchtbehandeling of de warmwatervoorziening van het gebouw.

Wat er niet onder valt

  • Verbrandingstoestellen die enkel hun eigen opstellingsruimte verwarmen (aërothermen, stralingstoestellen) — zij vallen onder de NBN D 51-003;
  • Lokalen met toestellen zonder verbranding ter plaatse: warmtewisselaars, warmtepompen zonder verbrandingsgenerator, elektrische generatoren;
  • Lokalen met verbranding voor andere doeleinden dan centrale verwarming of warm water: verbrandingsovens, kooktoestellen.

Bestaande stookplaats van vóór 4 juni 1986

Bij vervanging van generatoren in een bestaand stooklokaal van een bestaand gebouw waarbij het totale vermogen ≥ 70 kW blijft, moet de NBN/DTD niet worden nageleefd op voorwaarde dat de bouwaanvraag van het gebouw werd ingediend vóór 04/06/1986 en de locatie van het stooklokaal niet is veranderd. Het blijft wel aanbevolen om er § 7.1 en 7.2 toe te passen. Wordt daarentegen door de plaatsing of vervanging het vermogen in een bestaande ruimte 70 kW of meer, dan gelden alle eisen van de NBN/DTD.

Bij de opvallende eisen: de energietoevoer (elektrisch en brandbaar) die nodig is voor de werking van de toestellen van de stookplaats moet kunnen worden onderbroken vanop een plaats buiten de stookplaats, kort bij de toegangsdeur. En voor installaties ≤ DN 50 en MOP ≤ 100 mbar is § 4.4.1.6 van de NBN D 51-003 (2014) over de gastoevoer naar de stookplaats eveneens van toepassing. Alle details — bouwkundig, uitrusting, schoorstenen — vindt u in onze fiche stookplaats ≥ 70 kW.

De terugtrekking van de 61-reeks (2019): wat er op 24 maart 2021 veranderde

In september 2019 publiceerde het NBN de tweede versies van de normen NBN B 61-001 en NBN B 61-002, met nieuwe berekeningsmethodes voor de ventilatie. Op 24 maart 2021 besliste het Bureau voor Normalisatie om deze versies 2019 in te trekken. In afwachting van een nieuwe versie worden zij vervangen door twee technische documenten:

  • NBN/DTD B 61-001:2021 — inhoudelijk volledig identiek aan de eerste versie NBN B 61-001:1986 + addendum:1996;
  • NBN/DTD B 61-002:2021 — inhoudelijk bijna volledig identiek aan de eerste versie NBN B 61-002:2006 + corrigendum:2017.

Concreet gaat de terugkeer naar de oorspronkelijke teksten voor installaties < 70 kW gepaard met enkele opmerkelijke verduidelijkingen:

  • Vereenvoudigde ventilatie — de voorschriften voor de verbrandingsluchttoevoer (type B) en de ventilatie van de opstellingsruimte worden niet meer berekend via de qv-debieten (qv,comb, qv,iaq, qv,cool...) van de versie 2019, maar via doorlaatsecties in cm²/kW, met een minimum van 50 cm² per opening;
  • Sanitair warm water — toestellen die enkel warm water produceren met Pn < 70 kW vallen sinds 8 april 2021 opnieuw onder de NBN D 51-003:2010 + addendum:2014;
  • Uitmonding van type C — de verdunningsfactor geldt niet meer voor de plaatsbepaling van de uitmonding van gesloten CV-ketels < 70 kW; voortaan wordt het zogenaamde "huisje in perspectief" toegepast;
  • Kunststof kanalen — aansluit- en afvoerkanalen in kunststof van een ketel < 70 kW moeten niet langer door een brandwerend omhulsel beschermd worden, op voorwaarde dat de ketel beveiligd is zodat de verbrandingsproducten aan de uitgang van het toestel 120 °C niet overschrijden, het kanaal tot de temperatuurklasse T120 behoort en de fabrikant het toelaat;
  • Opstellingsruimte — geen eis meer van een permanente toegangsweg (een ketel op zolder, bereikbaar via een intrekbare trap, is toegelaten) en geen verplichte waterafvoer meer in het lokaal.

Voor stookplaatsen ≥ 70 kW keren de voorschriften voor onder- en bovenverluchting eveneens terug naar een berekening op basis van vrije doorlaatsecties, weg van de qv-debieten van 2019.

70 kW: hoe telt u het vermogen dat de norm doet kantelen?

De keuze tussen B 61-002 en B 61-001 hangt af van het nominaal vermogen — maar dan wel het juiste. Voor ketels houdt de norm rekening met het nominaal vermogen bij een temperatuursregime van 80/60 °C (conventie van de NBN EN 483); ontbreekt die waarde op de kenplaat, dan neemt men het hoogste nominaal vermogen. Voor andere verbrandingstoestellen telt het hoogste nominaal vermogen. Het totale nominale vermogen (Pn,tot) van een ruimte is de som van de nominale vermogens van de toestellen die er opgesteld staan.

Rekenvoorbeeld (CERGA-casus)

Twee condensatieketels in dezelfde opstellingsruimte. Ketel 1: nominaal vermogen 80/60 van 8 tot 40 kW (bij 50/30: tot 43 kW). Ketel 2: nominaal vermogen 80/60 van 7,6 tot 28,5 kW (bij 50/30: tot 30,1 kW).

Men rekent bij het regime 80/60: 40 + 28,5 = 68,5 kW < 70 kW → de installatie valt onder de NBN B 61-002. Wie bij 50/30 had gerekend (43 + 30,1 = 73,1 kW), zou ten onrechte tot een stookplaats onder de B 61-001 hebben besloten.

Let op de valkuil van het bijplaatsen: één of meerdere ketels toevoegen — al dan niet van hetzelfde type — wijzigt het totaal geïnstalleerde nominale vermogen in de ruimte en kan de drempel van 70 kW doen overschrijden. Het lokaal wordt dan een stookplaats in de zin van de B 61-001, met eigen bouwkundige eisen. Een punt dat Atlas systematisch nakijkt bij keuringen na uitbreiding van een installatie.

Uw situatie → de toepasselijke norm

De overzichtstabel hieronder koppelt de meest voorkomende situaties aan het referentiekader dat erop van toepassing is. Bij een gemengde configuratie gelden meerdere teksten samen.

Uw situatie Toepasselijke norm Wat ze dekt
Binnenleiding aardgas, Ø ≤ DN 50 en MOP ≤ 100 mbar (doorsnee woning)NBN D 51-003:2010 + add. 2014Leidingen, aansluitingen, dichtheid, toestellen buiten de B 61-reeks
Aardgasleiding Ø > DN 50 of druk > 100 mbar (tot 15 bar)NBN D 51-004Tertiaire / industriële installaties, grote debieten
Installatie op butaan of propaan (tank, flessen)NBN D 51-006Leidingen en veiligheid van LPG-installaties
CV-ketel(s), Pn,tot < 70 kW (bij regime 80/60 °C)NBN/DTD B 61-002:2021§ 6-§ 7 (lucht, rookgassen) altijd; § 4-§ 5 (lokaal, ventilatie) bij nieuw/vernieuwd gebouw met vergunning
Warmtegenerator(en), Pn,tot ≥ 70 kW — nieuw stooklokaalNBN/DTD B 61-001:2021Bouwkundige eisen, uitrusting, lucht, schoorstenen
Badgeiser / boiler (enkel warmwaterproductie), Pn < 70 kWNBN D 51-003 (sinds 8 april 2021)Verbrandingslucht, afvoer, ventilatie van het lokaal
Gaskachel, stralingstoestel, aërotherm, inbouwhaard, sierhaardNBN D 51-003Technische en veiligheidseisen van open / gesloten toestellen
Vervanging in een bestaande stookplaats ≥ 70 kW, bouwaanvraag vóór 04/06/1986, locatie ongewijzigdDTD B 61-001 niet verplichtAanbevolen toepassing van § 7.1 en 7.2
Aansluiting van elke CV-ketel of generator op de aardgasleiding§ 6 NBN D 51-003 (altijd)Gebruiksvoorwaarden en aansluiting op de binnenleiding
Nieuw gebouw (geen eengezinswoning) met stooklokaal+ KB "Brand" van 7 juli 1994Bijkomende eisen inzake brandpreventie

Het KB "Brand": de reglementaire laag boven de normen

Boven de technische normen legt het koninklijk besluit van 7 juli 1994 de basisnormen vast voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen: het ontstaan, de ontwikkeling en de uitbreiding van een brand voorkomen, de veiligheid van personen verzekeren en de tussenkomst van de brandweer vergemakkelijken. Wanneer het bijkomende eisen stelt aan lokalen met verwarmingstoestellen, komen die bovenop de voorschriften van de NBN/DTD B 61.

Het toepassingsgebied kent evenwel duidelijke grenzen. Het KB "Brand" is niet van toepassing op eengezinswoningen, op zeer kleine lage gebouwen met maximaal twee bouwlagen en een totale oppervlakte ≤ 100 m², op industriegebouwen met één bouwlaag en ≤ 100 m², noch op industriële installaties buiten gebouwen. Sinds de wijziging van 4 april 2003 behoren renovatiewerken niet langer tot het toepassingsgebied — al vragen de brandweerdiensten, die de bouwaanvragen beoordelen, bij een doorgedreven renovatie meestal om de eisen voor nieuwe gebouwen te hanteren. De aanvraagdatum van de stedenbouwkundige vergunning bepaalt welke brandwetgeving geldt, en het besluit onderscheidt lage, middelhoge en hoge gebouwen.

Ook andere reglementeringen kunnen brandpreventievoorschriften bevatten: de Codex voor het Welzijn op het Werk voor gebouwen met werknemers, federale voorschriften voor ziekenhuizen, gewestelijke voor rusthuizen en logiesverstrekkende inrichtingen, gemeentelijke voor publiek toegankelijke gebouwen. De regel bij samenloop: allemaal respecteren; bij tegenstrijdigheid primeert de strengste en die welke de veiligheid van personen betreft.

Wat de normkeuze verandert voor uw keuring

Voor een keuringsorganisme geaccrediteerd BELAC ISO 17020 (nr. 663-INSP) zoals Atlas is het juiste referentiekader geen formaliteit: het bepaalt de controlepunten, de toegepaste drempels en de formulering van het PV. Concreet gaat de Atlas-inspecteur als volgt te werk:

  1. De installatie kwalificeren — aardgas of LPG, diameter en druk van de leiding, aard van de toestellen (centrale verwarming, enkel warm water, onafhankelijke toestellen) en totaal nominaal vermogen bij het regime 80/60 °C;
  2. De referentiekaders selecteren — D 51-003, D 51-004 of D 51-006 voor de leiding; B 61-002 of B 61-001 voor de plaatsing van de ketels; met verificatie of § 4-§ 5 van de B 61-002 gelden (nieuw of vernieuwd gebouw met vergunning) dan wel enkel § 6-§ 7;
  3. Controleren volgens die teksten — dichtheid van de leiding, verbrandingsluchttoevoer, rookgasafvoer, ventilatie van het lokaal, stookplaatseisen waar nodig, zonder de aansluiting volgens § 6 van de D 51-003 te vergeten;
  4. Elke niet-conformiteit motiveren — het PV verwijst naar het voorschrift van het betrokken referentiekader, zodat u (of uw installateur) precies weet wat er moet worden rechtgezet.

Voor de keuring van een installatie die al in dienst is, vindt u de toepasselijke eisen in onze fiche veiligheidseisen voor een bestaande gasinstallatie. En gaat uw vraag over het verloop, de prijzen en de voor te bereiden documenten, dan staat alles in de volledige gids gaskeuring.

Veelgestelde vragen

Welke norm geldt voor een klassieke huishoudelijke aardgasinstallatie?

Voor de binnenleiding op aardgas van een woning (diameter ≤ DN 50, werkingsdruk MOP ≤ 100 mbar) geldt de NBN D 51-003:2010 + addendum:2014. Omvat de installatie een centrale verwarmingsketel van minder dan 70 kW, dan vallen de plaatsingsvoorschriften van die ketel (opstellingsruimte, luchttoevoer, rookgasafvoer) bijkomend onder het technisch document NBN/DTD B 61-002:2021. Beide teksten gelden samen: de aansluiting van de ketel op de binnenleiding blijft onderworpen aan § 6 van de NBN D 51-003.

Wat is het verschil tussen NBN D 51-003 en NBN B 61-002?

De NBN D 51-003 regelt de aardgasbinneninstallatie zelf (leidingen, aansluitingen) en daarnaast de technische en veiligheidseisen van open en gesloten gastoestellen die niet onder de B 61-reeks vallen: toevoer van verbrandingslucht, afvoer van de verbrandingsproducten, ventilatie van de opstellingsruimte. De NBN/DTD B 61-002:2021 richt zich specifiek op centrale verwarmingsketels met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW: hun opstellingsruimte, luchttoevoer en afvoer van verbrandingsproducten. Een gaskachel, stralingstoestel of inbouwhaard valt onder de D 51-003; een CV-ketel < 70 kW onder de B 61-002.

Wat betekent "NBN/DTD" vóór B 61-001 en B 61-002?

DTD wil zeggen dat de tekst als technisch document van het Bureau voor Normalisatie (NBN) is gepubliceerd en niet als klassieke gehomologeerde norm. Op 24 maart 2021 heeft het NBN de tweede versies van de normen NBN B 61-001 en NBN B 61-002, gepubliceerd in september 2019, ingetrokken. In afwachting van een nieuwe versie worden zij vervangen door de technische documenten NBN/DTD B 61-001:2021 en NBN/DTD B 61-002:2021, die in essentie de inhoud van de eerste versies hernemen (respectievelijk 1986 + addendum 1996 en 2006 + corrigendum 2017).

Vanaf welk vermogen spreekt men van een stookplaats onder de NBN B 61-001?

De NBN/DTD B 61-001:2021 is van toepassing zodra u een warmtegenerator van minstens 70 kW plaatst, of meerdere generatoren waarvan het totaal geïnstalleerde vermogen 70 kW bereikt, in een nieuw te voorzien stooklokaal in een bestaand, nieuw of vernieuwd gebouw waarvoor een bouwaanvraag moet worden ingediend. Het referentievermogen van ketels is het nominaal vermogen bij een temperatuursregime van 80/60 °C. Opgelet: het bijplaatsen van een toestel in een bestaande ruimte kan de drempel van 70 kW doen overschrijden en de hele installatie onder de B 61-001 doen vallen.

Ik heb een propaantank of gasflessen: welke norm geldt dan?

Installaties gevoed met commercieel butaan of propaan vallen onder de NBN D 51-006, de LPG-tegenhanger van de NBN D 51-003. De logica blijft dezelfde: voorschriften voor de leidingen, de aansluiting van de toestellen en de veiligheid van de installatie, aangepast aan de eigenheden van vloeibaar petroleumgas. Atlas keurt propaan- en butaaninstallaties volgens deze norm — zie onze gids propaan/butaan voor de details.

Wat is er gebeurd met de normen NBN B 61-001 en B 61-002 versie 2019?

De versies gepubliceerd in september 2019 werden op 24 maart 2021 door het NBN ingetrokken. Zij worden, in afwachting van een nieuwe versie, vervangen door de technische documenten NBN/DTD B 61-002:2021 (inhoud bijna volledig identiek aan de NBN B 61-002:2006 + corrigendum 2017) en NBN/DTD B 61-001:2021 (inhoud identiek aan de NBN B 61-001:1986 + addendum 1996). Praktisch gevolg: de ventilatieberekeningen uit 2019 (qv-debieten) gelden niet meer, en verbrandingstoestellen die enkel warm water produceren met minder dan 70 kW vallen sinds 8 april 2021 opnieuw onder de NBN D 51-003:2010 + addendum:2014.

Welke norm past Atlas Contrôle toe tijdens mijn gaskeuring?

De BELAC ISO 17020 inspecteur bepaalt eerst uw configuratie: aardgas of LPG, diameter en druk van de leiding, aard en totaal nominaal vermogen van de toestellen (bij het regime 80/60 °C voor ketels). Daaruit volgt het referentiekader: NBN D 51-003 voor de aardgasbinnenleiding ≤ DN 50 en ≤ 100 mbar, NBN D 51-004 daarboven, NBN D 51-006 voor butaan/propaan, NBN/DTD B 61-002:2021 voor de plaatsing van een CV-ketel < 70 kW, NBN/DTD B 61-001:2021 voor een stookplaats ≥ 70 kW. Het PV vermeldt de toegepaste referentiekaders en elke niet-conformiteit verwijst naar het betrokken voorschrift.

Welke norm voor uw installatie? Laat Atlas het uitklaren

Gaskeuring BELAC ISO 17020 vanaf 165 € — offerte binnen 4 u, afspraak binnen 24-48 u, opvorderbaar PV met vermelding van de toegepaste referentiekaders.

Bereken uw offerte in 30 seconden

Indicatieve prijs onmiddellijk, vrijblijvend.

of