Toegelaten plaatsingsmodi voor elektrische leidingen
Voor alle spanningsdomeinen:
In luchtlijnen
In ondergrondse leidingen
Rechtstreeks ingegraven, met mechanische bescherming

Ingegraven in mantelbuizen
Ondergrondse leidingen (AREI Boek 2 art. 5.2.10.2)
Bescherming tegen directe aanrakingen
Elke ondergrondse kabel is beschermd:
- Over zijn volledig traject door een afdekking in duurzame en bestendige materialen, bestemd om hem te vrijwaren tegen de inwerking van werktuigen tijdens uitgravingen;
- Beschikt over een geaard elektrisch beschermingsscherm; bij gewapende kabels kan de wapening voor dit doel dienen;
- De coördinatie tussen de beveiligingsinrichtingen en de doorsneden van het beschermingsscherm is zodanig dat de leidingen voldoende beschermd zijn tegen schade die aanleiding zou geven tot een aardfout of kortsluiting.
Plaatsing van ondergrondse kabels (AREI Boek 2 art. 5.2.6 — 5.2.8 — 5.2.10.2)
- De minimale plaatsingsdiepte bedraagt 60 cm voor hoogspanningskabels van de 1ᵉ categorie (1.000 V < Un ≤ 50.000 V);
- De minimale plaatsingsdiepte bedraagt 100 cm voor hoogspanningskabels van de 2ᵉ categorie (Un > 50.000 V);
- Wanneer de plaatsing van ondergrondse kabels het doorboren van muren of wanden vereist, wordt de doorgang na plaatsing zorgvuldig dichtgemaakt;
- Bij de nabijheid en bij kruising van ondergrondse telecommunicatiekabels wordt elke energiekabel zo geplaatst dat hij zich op elk van zijn punten op minstens 50 cm bevindt van de telecommunicatiekabels die op het ogenblik van de plaatsing aanwezig waren;
- Indien een dergelijke schikking niet realiseerbaar is, kan een afwijking worden toegestaan door de betrokken ministers of de ambtenaren die zij hiertoe aanwijzen;
- In de nabijheid van gasleidingen worden de nodige maatregelen genomen om gasophopingen in mangaten te vermijden; in deze nabijheid wordt het gebruik van mantelbuizen ter bescherming van gewapende ondergrondse kabels vermeden;
- De kwaliteiten van de verbindingen tussen de verschillende segmenten van een kabel of tussen een kabel en een elektrische lijn vertonen een isolatie en een hermetische dichtheid minstens gelijk aan die van de kabel zelf, conform de regels van de kunst.
Markering van ondergrondse kabels
- De aanwezigheid van een kabel wordt op zichtbare en duurzame wijze aangegeven;
- Indien de uitlijning langer is dan 200 m worden tussenliggende markeringen geplaatst om de minstens 200 m. Markeringen worden ook geplaatst aan de uiteinden van bochten;
- De oppervlakte van de markeringen bedraagt niet minder dan 0,01 m² (zijde 10 cm); de kleinste afmeting bedraagt niet minder dan 0,08 m;
- De positie van de kabels moet aangegeven worden op plannen.

De luchtlijnen (AREI Boek 2 art. 7.1.3.1)
Bescherming tegen directe aanrakingen wordt verzekerd door:
- Volledige bescherming door isolatie;
- Bescherming door afstand, in bepaalde gevallen aangevuld door verwittiging van het gevaar via verbodsborden en het bemoeilijken van het beklimmen van de steunen.
Volledige bescherming door isolatie zonder bijkomende bescherming (AREI Boek 2 art. 7.1.3.2)
Indien de lijnen bestaan uit kabels voorzien van een wapening uitgevoerd volgens de regels van de kunst, wordt een volledige bescherming tegen directe aanrakingen verzekerd, voor zover bovendien de coördinatie tussen de beveiligingsinrichtingen en de doorsneden van het beschermingscircuit zodanig is dat de leidingen voldoende beschermd zijn tegen schade die aanleiding zou geven tot een aardfout of kortsluiting.
Bescherming door afstand (AREI Boek 2 art. 7.1.3.6)
Afstanden:
- Minimumafstanden voor diverse types lijnen:
- Openbare wegen langsheen: 6 m boven de bodem;
- Openbare wegen kruisend: 7 m boven de bodem;
- Binnenplaatsen, tuinen en overhangende terreinen: 6 m boven de bodem.
Verhoging van de afstanden voor lijnen met blanke of gelijkgestelde geleiders:
Hoogspanning 1ᵉ categorie:
- Openbare wegen: 1 m + 6 m = 7 m;
- Binnenplaatsen, tuinen en terreinen: 0 m + 6 m = 6 m.
Verbodsborden (AREI Boek 2 art. 7.1.8.1)
Op elke steun van blanke lijnen:
- Cirkelvormig verbodsbord — aan de rand en diagonaal een rode band, in het centrum op witte achtergrond, het zwarte symbool bestaande uit een streep die een onder spanning staand deel voorstelt, een bliksemschicht en een silhouet van een persoon;
- In agglomeraties: bijkomende borden « Niet aan de draden komen, ook niet aan op de grond gevallen draden »;
- Volledig telefoonnummer van de verdelingsmaatschappij.
Nummering van de steunen (AREI Boek 2 art. 7.1.8.2)
Alle steunen van hoogspanningselektrische lijnen worden genummerd.
Ontoegankelijkheid — Beklimmen van de steunen (AREI Boek 2 art. 7.1.3.4)
Steunen die gemakkelijk te beklimmen zijn worden voorzien op een hoogte van minstens 3 m boven de bodem en op een afstand van minstens 2 m van de geleiders, van een inrichting die het beklimmen zonder speciale middelen bemoeilijkt.



Montage van de leidingen
Bescherming tegen elektrische schokken door indirecte aanrakingen:
Voor de montage van kabels op muren en rekken mogen enkel kabels met een wapening worden gebruikt. De wapening dient verbonden te worden met de hoogspanningsaarding.
Niet-gewapende kabels: de montage moet uitgevoerd worden met isolerende beugels.