Naar de inhoud

Technische gids · Driefasig & motoren

Fasespanning, lijnspanning & een motor in ster of driehoek aansluiten

3×230 V zonder nulgeleider, 3×400 V + N, eenfasig 230 V: in België bestaan verschillende distributienetten naast elkaar, en het is de lijnspanning van uw net die bepaalt of een driefasige motor in ster of in driehoek geschakeld wordt. We leggen de relatie Ulijn = √3 × Ufase uit, hoe u een kenplaat 230/400 V leest en hoe u de schakelfout vermijdt die een wikkeling doet doorbranden. Opgesteld door Atlas Contrôle, erkend organisme BELAC ISO 17020 nr. 663-INSP.

Veiligheid: een driefasige motor wordt spanningsloos aangesloten, door een bevoegd persoon en met aangepaste beveiligingen. Een verkeerde schakeling kan de motor vernielen of brand veroorzaken. Deze gids is didactisch — hij vervangt noch het AREI, noch de handleiding van de fabrikant.

De distributienetten in België

Vóór u aan het klemmenbord van een motor begint, moet u weten op welk net u werkt. In laagspanning domineren drie configuraties:

3 × 230 V

3 geleiders, zonder nul

Historisch net, nog aanwezig op sommige plaatsen in het land maar geleidelijk vervangen door de distributie met 4 geleiders. Geen nulgeleider: 230 V meet u tussen twee fasen.

3 × 400 V + N

4 geleiders, met nul

De meest verspreide distributievorm op het openbare net en in gebouwen met een groot verbruik: 400 V tussen de fasen, 230 V tussen fase en nul.

230 V eenfasig

2 geleiders

De basisaansluiting voor woningen. Ze wordt afgetakt tussen fase en nul op een net 400 V + N, of tussen twee fasen op een oud net 3×230 V.

In de industrie bestaat daarnaast de distributie 3×690 V + N (690 V tussen de fasen, 400 V tussen fase en nul) voor grote vermogens. Hoe zo'n net geaard wordt (TT, TN, IT) is een aparte, onafhankelijke keuze: die leggen we uit in onze gids over de netstelsels TT, TN en IT.

Fasespanning en lijnspanning: de factor √3

De fasespanning (Ufase) meet men tussen een fase en de nulgeleider. De lijnspanning (Ulijn, ook gekoppelde spanning genoemd) meet men tussen twee fasen. Op een net met nulgeleider verbindt de factor √3 ≈ 1,73 de twee:

Ulijn = √3 × Ufase

Net met nulgeleider: 230 V × √3 ≈ 400 V tussen de fasen.

Ulijn = Ufase

Net 3×230 V zonder nul: geen sterpunt, beide spanningen vallen samen op 230 V.

3 × 230 V — 3 geleiders L1 L2 L3 230 V 230 V Geen nulgeleider: Ulijn = Ufase 3 × 400 V + N — 4 geleiders L1 L2 L3 N 400 V 230 V Ulijn = √3 × Ufase

De factor √3 duikt ook op bij de stromen, maar omgekeerd naargelang de schakeling: in ster is de lijnstroom gelijk aan de stroom door elke wikkeling (Ilijn = Ifase); in driehoek is de lijnstroom √3 keer de wikkelingsstroom (Ilijn = √3 × Ifase). Die relaties controleert u met multimeter en stroomtang — zie onze gids over elektrische metingen met de multimeter.

De kenplaat van een motor 230/400 V lezen

De kenplaat van een driefasige motor vermeldt twee spanningen (bijvoorbeeld 230/400 V of 400/690 V) en twee stromen. Elk paar hoort bij een schakeling: de laagste spanning bij de driehoek, de hoogste bij de ster.

De vuistregel: de laagste spanning op de kenplaat is altijd de maximale spanning die elke wikkeling verdraagt. Een motor 230/400 V heeft wikkelingen die tot 230 V aankunnen; een motor 400/690 V tot 400 V. De schakeling dient er precies voor om die grens te respecteren, welke lijnspanning het net ook levert.

De twee stromen volgen dezelfde logica: de hoogste stroom hoort bij de driehoekschakeling, de laagste bij de sterschakeling. Het is die waarde — die van de effectief gebruikte schakeling — waarop de thermische beveiliging van de motor wordt ingesteld.

Ster of driehoek: de juiste schakeling kiezen

Het klemmenbord van een driefasige motor telt zes klemmen: U1, V1, W1 bovenaan, W2, U2, V2 onderaan. Die verspringing is geen toeval: ze laat toe beide schakelingen te maken door gewoon de koppelbruggen te verplaatsen.

Ster (Y) L1 L2 L3 U1 V1 W1 W2 U2 V2 Horizontale brug: W2-U2-V2 verbonden (sterpunt) Driehoek (Δ) L1 L2 L3 U1 V1 W1 W2 U2 V2 Verticale bruggen: U1-W2, V1-U2, W1-V2
Δ

Driehoek — wanneer de lijnspanning van het net gelijk is aan de laagste spanning op de kenplaat. Elke wikkeling hangt rechtstreeks tussen twee fasen en krijgt de volle lijnspanning. Voorbeelden: motor 230/400 V op een net 3×230 V, motor 400/690 V op een net van 400 V. De thermische beveiliging stelt u in op de hoogste stroom van de kenplaat.

Y

Ster — wanneer de lijnspanning van het net gelijk is aan de hoogste spanning op de kenplaat. De drie wikkelingen komen samen in een sterpunt: elke wikkeling krijgt slechts Ulijn/√3. Voorbeelden: motor 230/400 V op een net 3×400 V + N (elke wikkeling ziet 230 V), motor 400/690 V op een net van 690 V. De thermische beveiliging stelt u in op de laagste stroom van de kenplaat.

Bij een correct gekozen schakeling werkt de wikkeling in beide gevallen op haar nominale spanning: alleen de weg van de stroom verandert. De dimensionering van de beveiligingen stroomopwaarts (motorbeveiligingsschakelaar, differentieel) behandelen we in onze gids automaat, differentieel & zekering.

Overzichtstabel: welke schakeling op welk net?

Net Lijnspanning Motor 230/400 V Motor 400/690 V
3 × 230 V (zonder nul) 230 V Driehoek (Δ) Niet geschikt
3 × 400 V + N 400 V Ster (Y) Driehoek (Δ) — ster-driehoekaanloop mogelijk
3 × 690 V + N (industrie) 690 V Niet geschikt Ster (Y)

De redenering blijft altijd dezelfde: u schakelt de motor zo dat elke wikkeling hoogstens de laagste spanning van haar kenplaat krijgt. « Niet geschikt » betekent dat geen van beide schakelingen de wikkelingsspanning op de netspanning laat aansluiten.

De ster-driehoekaanloop

Een asynchrone motor die direct wordt ingeschakeld, neemt een aanloopstroom op van meerdere keren zijn nominale stroom. De ster-driehoekaanloop gebruikt de factor √3 om die piek af te vlakken:

1

Starten in ster. Elke wikkeling krijgt slechts Ulijn/√3: de opgenomen lijnstroom is gedeeld door 3 tegenover een directe start in driehoek — maar het aanloopkoppel evenzeer. De start gebeurt dus onbelast of licht belast.

2

Omschakelen naar driehoek. Zodra de motor zijn nominale snelheid nadert, schakelen de contactoren (of de Y-Δ-schakelaar) hem om naar driehoek: elke wikkeling krijgt dan haar nominale spanning en de motor levert zijn volle koppel.

3

Onmisbare voorwaarde. De driehoekschakeling van de motor moet bij de netspanning passen: op 400 V hebt u een motor 400/690 V nodig. Een motor 230/400 V start u nooit in ster-driehoek op een net van 400 V — zijn driehoekstand zou 400 V op wikkelingen van 230 V zetten.

Draairichting en typische aansluitfouten

Aangesloten in de natuurlijke volgorde — L1 op U1, L2 op V1, L3 op W1 — draait een driefasige motor rechtsom. Om de richting om te keren wisselt u twee fasen om, om het even welke. Klassieke valkuil: alle drie de fasen een plaats doorschuiven verandert niets — het draaiveld behoudt zijn richting en de motor blijft rechtsom draaien.

De fouten die we bij keuringen en depannages het vaakst tegenkomen:

  • Motor 230/400 V in driehoek op een net van 400 V. Elke wikkeling krijgt 400 V in plaats van maximaal 230 V: snelle oververhitting, doorgeslagen isolatie, motor klaar voor herwikkeling.
  • Sterschakeling waar driehoek nodig is. De ondervoede motor ontwikkelt maar een fractie van zijn koppel: moeizame starts, stilvallen onder belasting, abnormale opwarming op termijn.
  • Thermische beveiliging op de verkeerde stroom ingesteld. Ze moet overeenkomen met de stroom van de effectief gebruikte schakeling: de hoge waarde van de kenplaat in driehoek, de lage in ster. Verkeerd ingesteld schakelt ze ongewenst uit — of helemaal niet.
  • Koppelbruggen vergeten of verkeerd geplaatst na een interventie: een motor die bromt zonder te starten, of eenfasige werking die de wikkelingen vernielt.
  • Draairichting niet gecontroleerd vóór het aankoppelen. Pompen, schroefcompressoren en ventilatoren verdragen geen werking in omgekeerde richting.

Op een niet-huishoudelijke installatie horen die punten bij de verificaties van de elektrische keuring: geschiktheid van de beveiligingen, opwarming, staat van de aansluitingen en conformiteit met het AREI.

Een driefasige installatie te laten keuren?

Werkplaats, drijfkracht, verdeelbord met motoren: niet-huishoudelijke installaties moeten periodiek gekeurd worden door een erkend organisme. Atlas controleert, meet en levert het officiële verslag — overal in België.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen fasespanning en lijnspanning?
De fasespanning (Ufase) meet men tussen een fasegeleider en de nulgeleider; de lijnspanning (Ulijn), ook gekoppelde spanning genoemd, meet men tussen twee fasegeleiders. Op een driefasennet met nulgeleider geldt de relatie Ulijn = √3 × Ufase: op het Belgische net 3×400 V + N meet u 230 V tussen fase en nul en 400 V tussen twee fasen. Op een oud net 3×230 V zonder nulgeleider is er geen verdeeld sterpunt: de enige beschikbare spanning is die tussen de fasen, namelijk 230 V.
Wat is het verschil tussen een net 3×230 V en een net 3×400 V?
Het net 3×230 V is een driefasige distributie met 3 geleiders, zonder nulgeleider: tussen twee fasen staat 230 V, en eenfasig 230 V wordt er tussen twee fasen afgetakt. Het net 3×400 V + N telt 4 geleiders (drie fasen + nul): 400 V tussen de fasen, 230 V tussen fase en nul. Het 3×230 V-net bestaat nog op sommige plaatsen in België, maar wordt geleidelijk vervangen door de distributie met 4 geleiders, vandaag veruit de meest verspreide. Het verschil is doorslaggevend voor de schakeling van een motor: een motor 230/400 V sluit u in driehoek aan op 3×230 V en in ster op 3×400 V.
Wanneer sluit ik een motor in ster aan en wanneer in driehoek?
U vergelijkt de twee spanningen op de kenplaat met de lijnspanning van het net. De driehoekschakeling gebruikt u wanneer de lijnspanning van het net overeenkomt met de laagste spanning op de kenplaat: elke wikkeling krijgt dan rechtstreeks de lijnspanning. De sterschakeling gebruikt u wanneer de lijnspanning overeenkomt met de hoogste spanning op de kenplaat: elke wikkeling krijgt dan slechts Ulijn/√3. Voorbeeld met een motor 230/400 V: driehoek op een net 3×230 V, ster op een net 3×400 V + N. In beide gevallen staat er 230 V over de wikkeling — haar maximale spanning.
Wat betekent 230/400 V op de kenplaat van een motor?
Die twee waarden horen bij de twee mogelijke schakelingen: 230 V in driehoek, 400 V in ster. De vuistregel: de laagste van de twee spanningen is altijd de maximale spanning die elke wikkeling van de motor verdraagt. Een motor 230/400 V heeft dus wikkelingen die maximaal 230 V aankunnen — de schakeling (ster of driehoek) past de aansluiting aan de netspanning aan om die grens te respecteren. De kenplaat vermeldt ook twee stromen: de hoogste hoort bij de driehoekschakeling, de laagste bij de sterschakeling.
Waarvoor dient de ster-driehoekaanloop?
Om de aanloopstroom te beperken. De motor start in sterschakeling: elke wikkeling krijgt slechts Ulijn/√3, en de opgenomen lijnstroom is gedeeld door 3 tegenover een directe start in driehoek (het aanloopkoppel daalt in dezelfde verhouding). Zodra de motor op snelheid is, schakelen een omschakelaar of contactoren hem naar driehoek, zijn bedrijfsschakeling. Onmisbare voorwaarde: de driehoekschakeling van de motor moet overeenstemmen met de netspanning — bijvoorbeeld een motor 400/690 V op een net van 400 V. Een motor 230/400 V mag nooit in ster-driehoek gestart worden op een net van 400 V: zijn driehoekstand onder 400 V zou de wikkelingen vernielen.
Hoe keer ik de draairichting van een driefasige motor om?
Door twee fasegeleiders om te wisselen, om het even welke. Een motor aangesloten met L1 op U1, L2 op V1 en L3 op W1 draait rechtsom (met de klok mee, gezien vanaf de aszijde). Twee fasen verwisselen keert het draaiveld om en laat de motor linksom draaien. Klassieke valkuil: alle drie de fasen tegelijk doorschuiven (L1→V1, L2→W1, L3→U1) verandert niets — de motor blijft rechtsom draaien. Controleer de draairichting altijd vóór het aankoppelen van de machine: pompen, compressoren en ventilatoren kunnen beschadigd raken als ze verkeerd om draaien.
Wat gebeurt er als ik een motor 230/400 V in driehoek aansluit op een net van 400 V?
Dat is dé klassieke — en destructieve — schakelfout. In driehoek krijgt elke wikkeling de volle lijnspanning, dus 400 V, terwijl de wikkelingen van een motor 230/400 V slechts 230 V verdragen. De magnetiseringsstroom loopt op, de wikkelingen oververhitten en de isolatie slaat door: de motor is binnen enkele minuten stuk als de thermische beveiliging niet eerder uitschakelt. De omgekeerde fout (ster waar driehoek nodig is) is minder brutaal maar even problematisch: de ondervoede motor mist koppel, valt stil onder belasting en warmt op termijn abnormaal op.