Uw verslag begrijpen
Inbreuken bij de gaskeuring, eenvoudig uitgelegd
Aardgas, propaan en butaan: de 249 vaststellingen uit de keuringsverslagen van binneninstallaties, één voor één uitgelegd.
Deze vaststellingen verwijzen naar de normen NBN D 51-003 (aardgas) en NBN D 51-006 (propaan en butaan). Typ de code (bijvoorbeeld RGIG-040) of een woord uit uw verslag en open de fiche.
249 van 249 vaststellingen weergegeven
Geen vaststelling gevonden. Probeer het artikel uit het verslag of één woord uit de omschrijving, of schrijf ons: wij helpen u uw verslag te lezen.
Aardgas
Meter, drukregeling & kranen (20)
RGIG-078 Een T-stuk is te plaatsen : Stroomafwaarts van iedere sectioneerkraan NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Er ontbreekt een T-stuk met stop na een sectioneerkraan, de kraan waarmee een deel van de installatie afgesloten kan worden.
Het risico
Zonder dit meetpunt kan de dichtheidsproef van het leidingdeel na deze kraan niet correct uitgevoerd worden, en zou een gaslek onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een T-stuk stroomafwaarts van elke sectioneerkraan.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-040 Het effectief drukverlies gemeten tussen de uitlaatopening van de gasmeter en elk van de verbruikstoestellen, de stopkraan niet inbegrepen, mag 1 mbar niet overschrijden. (NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.12
Concreet
Het gemeten drukverlies tussen de uitgang van de gasmeter en minstens één toestel was groter dan 1 mbar. Het gas verliest te veel druk in de leiding voor het bij het toestel komt.
Het risico
Krijgt een toestel gas aan een te lage druk, dan kan het onstabiel werken en het gas in slechte omstandigheden verbranden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 beperkt het drukverlies tussen de uitgang van de gasmeter en elk toestel, de afsluitkraan niet inbegrepen, tot 1 mbar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-086 Een sectioneerkraan en T stuk wordt voorzien in de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding ondergronds of bovengronds het gebouw binnenkomt NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
In de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding het gebouw binnenkomt, ontbreekt de sectioneerkraan, het T-stuk of allebei.
Het risico
Zonder sectioneerkraan kan het gas van het gebouw in noodgeval niet snel afgesloten worden. Zonder T-stuk kan de dichtheidsproef van de installatie niet correct uitgevoerd worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een sectioneerkraan en een T-stuk in de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding ondergronds of bovengronds het gebouw binnenkomt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-083 Een sectioneerkraan wordt voorzien bij het uitbreiden van een installatie ≥ 3m of naar een ander lokaal NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
Het leidingwerk werd met 3 m of meer uitgebreid, of doorgetrokken naar een ander lokaal, zonder sectioneerkraan om die uitbreiding van de rest af te sluiten.
Het risico
Zonder die kraan kan het toegevoegde deel niet apart afgesloten worden: bij een lek of bij werken moet de hele installatie zonder gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een sectioneerkraan bij elke uitbreiding van een installatie met 3 m of meer, of naar een ander lokaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-178 Een T-stuk is te plaatsen : NBN 51-006 § 7.5
Concreet
Er ontbreekt een T-stuk, een T-vormige koppeling afgesloten met een stop, op een plaats in de leiding waar de norm er een vraagt. Dat T-stuk dient onder meer als meetpunt voor de dichtheidsproef.
Het risico
Zonder dit T-stuk kan de dichtheid van het betrokken deel niet correct gecontroleerd worden, en zou een lek onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De normen NBN D 51-003 en NBN D 51-006 vragen een T-stuk op welbepaalde plaatsen van de leiding, bijvoorbeeld na de gasmeter of na een sectioneerkraan.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-075 Een T-stuk is te plaatsen : Stroomafwaarts van de gasmeter geplaatst binnen een gebouw, vóór de eventuele eerste aftakking of toestel NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Vlak na de gasmeter die binnen het gebouw staat, vóór de eerste aftakking of het eerste toestel, ontbreekt het T-stuk met stop.
Het risico
Zonder dit meetpunt kan de dichtheidsproef van de leidingen niet correct uitgevoerd worden, en zou een gaslek onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een T-stuk stroomafwaarts van de gasmeter binnen het gebouw, vóór de eventuele eerste aftakking of het eerste toestel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-090 Een bijkomende sectioneerkraan moet worden voorzien indien in een ruimte de gastoestellen en hun stopkranen niet bereikbaar zijn zonder hulpmiddelen zoals bv. ladder, hoogtewerker, .... In deze ruimte moet de gastoevoer naar deze gastoestellen d.m.v. de sectioneerkraan kunnen onderbroken worden vanop een gemakkelijk, zonder hulpmiddelen, bereikbare plaats in deze ruimte. NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
In een ruimte zijn de gastoestellen en hun stopkranen enkel bereikbaar met een ladder of een ander hulpmiddel, en geen bijkomende sectioneerkraan laat toe hun gastoevoer vanop een vlot bereikbare plaats af te sluiten.
Het risico
Bij een lek of een incident kan niemand de gastoevoer naar deze toestellen snel afsluiten, waardoor een gevaarlijke situatie langer duurt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dan een bijkomende sectioneerkraan waarmee de gastoevoer naar die toestellen afgesloten kan worden vanop een vlot bereikbare plaats in de ruimte, zonder ladder of hoogwerker.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-087 Een sectioneerkraan en T stuk wordt voorzien in de inkomende leidingvan elke verblijfseenheid (bv. appartement) NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
Er ontbreekt een sectioneerkraan of een T-stuk op de leiding die een verblijfseenheid binnenkomt, bijvoorbeeld een appartement.
Het risico
Zonder die onderdelen kan het gas van één woning niet apart afgesloten worden bij een lek of bij werken, en kunnen haar leidingen niet afzonderlijk aan een dichtheidsproef onderworpen worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een sectioneerkraan en een T-stuk op de inkomende leiding van elke verblijfseenheid, bijvoorbeeld elk appartement.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-080 In afwachting van het aansluiten van een toestel, moet elke leiding eindigen op een stopkraan die degelijk wordt afgesloten met een metalen geschroefde stop of dop NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.5
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een wachtleiding, die nog niet op een toestel is aangesloten, niet gasdicht afgesloten is met een stopkraan en een metalen geschroefde stop of dop.
Het risico
Zonder stop of dop kan de kraan per vergissing geopend worden of licht lekken, waardoor gas in de ruimte kan ontsnappen, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat elke wachtleiding eindigt op een stopkraan die gasdicht afgesloten is met een metalen geschroefde stop of dop.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-077 Een T-stuk is te plaatsen : Stroomafwaarts van de gasmeter geplaatst buiten een gebouw, in de eerst bereikbare ruimte binnen het gebouw waar de binnenkomende gasleiding door loopt NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Buiten het gebouw staat de gasmeter, maar in de eerst bereikbare ruimte waar de leiding het gebouw binnenkomt, ontbreekt het T-stuk met stop.
Het risico
Zonder dit meetpunt kan de dichtheidsproef van de binnenleiding niet correct uitgevoerd worden, en zou een gaslek onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt, wanneer de gasmeter buiten het gebouw staat, een T-stuk in de eerst bereikbare ruimte binnen het gebouw waar de binnenkomende leiding door loopt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-041 De gasteller is nog niet geplaatst, de gasleiding dient gemonteerd en afgewerkt te worden tot op de locatie waar de gasteller dient te komen. (beugels, T stuk ) NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Op het moment van de keuring was de gasmeter nog niet geplaatst en was de leiding niet afgewerkt tot de voorziene plaats van de meter, bijvoorbeeld zonder beugels of zonder T-stuk.
Het risico
Zolang de leiding niet tot aan de meter afgewerkt is, kan de installatie niet volledig gecontroleerd en niet in dienst genomen worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de leiding gemonteerd en afgewerkt is, met beugels en T-stuk, tot de plaats die voor de gasmeter voorzien is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur voor de leiding, de distributienetbeheerder voor de meter.
RGIG-072 De aanduiding van de verdieping en de betrokken verblijfseenheid moet worden aangebracht bij het verbinden van de gasmeter met de binnenleiding van die verblijfseenheid en dit op de gasbuis stroomafwaarts op maximum 50 cm na de gasmeter en op een duidelijke ondubbelzinnige en onuitwisbare wijze. Bijvoorbeeld door het aanbrengen van het door de gemeente toegekende busnummer van de verblijfseenheid.(NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.10
Concreet
In dit gebouw met meerdere verblijfseenheden draagt de leiding na de gasmeter, binnen de 50 cm, geen duidelijke en onuitwisbare aanduiding van de verdieping en de verblijfseenheid die ze bedient.
Het risico
Zonder die aanduiding kunnen meters of leidingen van verschillende woningen verward worden, en bij een interventie of noodgeval kan de verkeerde leiding afgesloten worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de verdieping en de verblijfseenheid duidelijk en onuitwisbaar aangeduid zijn op de buis, op maximaal 50 cm na de gasmeter, bijvoorbeeld met het busnummer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-076 Een T-stuk is te plaatsen : Stroomafwaarts van iedere tussengasmeter NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Er ontbreekt een T-stuk met stop na een tussengasmeter, bijvoorbeeld de individuele meter van een appartement.
Het risico
Zonder dit meetpunt kan de dichtheidsproef van de leidingen na deze meter niet correct uitgevoerd worden, en zou een gaslek onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een T-stuk stroomafwaarts van elke tussengasmeter.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-079 Het T-stuk is niet voorzien van een stop. NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.4
Concreet
Bij de keuring was de vrije opening van een T-stuk, een T-vormige koppeling op de leiding, niet afgesloten met een stop.
Het risico
Zonder stop kan die opening gas laten ontsnappen, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat elk T-stuk voorzien is van een stop.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-081 De stopkraan is verkeerd geplaatst. Het koppelstuk dat toelaat het toestel los te koppelen moet aan de uitlaatzijde geplaatstworden NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 6.4
Concreet
Bij de keuring zaten de stopkraan van het toestel en het koppelstuk waarmee het toestel losgekoppeld kan worden in de verkeerde volgorde: het koppelstuk zit vóór de kraan in plaats van erna, aan de kant van het toestel.
Het risico
Wordt het toestel losgekoppeld terwijl het koppelstuk vóór de kraan zit, dan blijft de leiding onder gas en ontsnapt er gas tijdens de werken, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat het koppelstuk waarmee het toestel losgekoppeld wordt, stroomafwaarts van de stopkraan zit, aan de kant van het toestel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-082 Elk toestel wordt voorafgegaan door een stopkraan dat zo dicht mogelijk bij het toestel geplaatst en is bereik- en bedienbaar NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 6.4
Concreet
Bij minstens één toestel ontbreekt de stopkraan die ervoor moet zitten, of staat ze te ver, is ze moeilijk bereikbaar of niet bedienbaar.
Het risico
Lekt het toestel, valt het uit of wordt eraan gewerkt, dan kan het gas daar niet snel afgesloten worden, wat het gevaar voor brand of ontploffing vergroot.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat elk toestel voorafgegaan wordt door een stopkraan, zo dicht mogelijk bij het toestel, bereikbaar en bedienbaar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-084 Een sectioneerkraan wordt voorzien net stroomopwaarts van iedere tussengasmeter NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
Er ontbreekt een sectioneerkraan net vóór een tussengasmeter, bijvoorbeeld de individuele meter van een appartement.
Het risico
Zonder die kraan kan het gas van één eenheid niet afgesloten worden bij een lek, een onderhoud of de vervanging van de meter: dan moet een groter deel van de installatie zonder gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een sectioneerkraan net stroomopwaarts van elke tussengasmeter.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-085 Een sectioneerkraan wordt voorzien op oordeelkundig gekozen plaatsen van uitgebreide binneninstallaties, dit om de gastoevoer van belangrijke vertakkingen te kunnen onderbreken en op die manier het onderhoud, de interventie en het toezicht op de installatie te vergemakkelijken bv. aan de voet van een stijgkolom en aan de voet van een koker NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
In deze uitgebreide binneninstallatie ontbreken sectioneerkranen op sleutelplaatsen, zoals aan de voet van een stijgkolom of een koker, om het gas van een belangrijke vertakking af te sluiten.
Het risico
Zonder die kranen kan een belangrijk deel van de installatie niet apart afgesloten worden: bij een lek of bij werken moet een groter deel zonder gas, wat een interventie vertraagt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt sectioneerkranen op oordeelkundig gekozen plaatsen van uitgebreide installaties, bijvoorbeeld aan de voet van een stijgkolom of een koker, om onderhoud, interventie en toezicht te vergemakkelijken.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-088 Een handmatig bediende sectioneerkraan wordt voorzien in de gastoevoer naar de stookplaats zodat de gastoevoer van buiten de stookplaats op een goed bereikbare plaats, op een afstand van maximum 20 m, zonder hulpmiddelen kan worden bediend in geval van nood NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
Bij de keuring kon de gastoevoer naar de stookplaats niet zoals voorzien van buiten het lokaal afgesloten worden: de handbediende sectioneerkraan ontbreekt of voldoet niet aan de voorwaarden van bereikbaarheid, afstand of bediening.
Het risico
Ontstaat er brand of een gaslek in de stookplaats, dan zou het gas niet afgesloten kunnen worden zonder het lokaal binnen te gaan, wat bewoners en hulpdiensten in gevaar brengt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een handbediende sectioneerkraan waarmee de gastoevoer naar de stookplaats van buitenaf afgesloten kan worden, op een goed bereikbare plaats, op maximaal 20 m en zonder hulpmiddelen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-089 indien één gasmeter, eigendom van de DNB, meerdere gebouwen voedt, moet de gastoevoer van elk gebouw afzonderlijk kunnen worden afgesloten door middel van een afsluiter geplaatst buiten het betrokken gebouw. NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1.6
Concreet
Meerdere gebouwen worden gevoed door één gasmeter van de distributienetbeheerder, maar de gastoevoer van elk gebouw kan niet afzonderlijk afgesloten worden met een afsluiter buiten het gebouw.
Het risico
Bij een lek of brand in één gebouw kan de gastoevoer ervan niet van buitenaf afgesloten worden zonder de andere gebouwen te treffen, wat een noodinterventie bemoeilijkt en vertraagt.
Wat de regel vraagt
Voedt één gasmeter van de distributienetbeheerder meerdere gebouwen, dan vraagt de norm NBN D 51-003 dat de gastoevoer van elk gebouw afzonderlijk afgesloten kan worden met een afsluiter buiten dat gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Leidingen & verbindingen (53)
RGIG-073 Bij elke doorgang van een gasleiding door een muur of vloer wordt deze leiding beschermd door een afzonderlijke mantelbuis (Of een ruimte van 3cm rond de leiding is overgelaten) De ruimte tussen de leiding en de mantelbuis wordt aan één zijde van de mantelbuis opgevuld met een niet-corrosief materiaal dat voldoende plastisch is om de gas- en waterdichtheid te verzekeren (NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11.5)
Concreet
Minstens één doorgang door een muur of vloer voldoet niet aan de regel: de leiding heeft geen afzonderlijke mantelbuis en geen vrije ruimte van 3 cm, of de ruimte rond de leiding is aan één zijde niet dicht opgevuld.
Het risico
Zonder die bescherming kan de leiding in de doorgang ongemerkt beschadigd raken of corroderen, en kan een lek zich via muren of vloeren verspreiden in plaats van opgemerkt te worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt bij elke doorgang een afzonderlijke mantelbuis of een vrije ruimte van 3 cm rond de leiding. De ruimte in de mantelbuis wordt aan één zijde opgevuld met een niet-corrosief, gas- en waterdicht materiaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-065 Er moeten bevestigingsbeugels worden geplaatst ter hoogte van elke afsluitkraan, elke bocht of T- stuk, de maximale afstanden dienen gerespecteerd worden volgens NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Er ontbreken bevestigingsbeugels ter hoogte van afsluitkranen, bochten of T-stukken, of de afstand tussen twee beugels overschrijdt de maximale afstanden uit de norm.
Het risico
Slecht ondersteund kan de leiding doorbuigen, bewegen of trillen, waardoor de verbindingen belast worden en er op termijn een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt bevestigingsbeugels ter hoogte van elke afsluitkraan, elke bocht en elk T-stuk, en het respect van de maximale afstanden tussen beugels.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-071 Indien verwarring mogelijk is, hetzij tussen verschillende leidingen, hetzij over de aard van het doorstromende fluïdum, moeten de gasleidingen worden geïdentificeerd door een markering in gele kleur. (NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.10)
Concreet
Op plaatsen waar de gasleiding verward kan worden met andere leidingen, of waar niet te zien is welk fluïdum erdoor stroomt, ontbreekt de gele markering die de gasleiding aanduidt.
Het risico
Zonder identificatie kan iemand die aan de installatie werkt de gasleiding voor een andere leiding aanzien en ze doorknippen, doorboren of aanpassen, met risico op een gaslek.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat gasleidingen met een gele markering aangeduid zijn wanneer verwarring mogelijk is tussen leidingen of over het fluïdum dat erdoor stroomt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-064 De beugels mogen de weerstand tegen hoge temperatuur (RHT) van het leidingwerk niet nadelig beïnvloeden. Daarom mogen enkel beugels uit koper of koperlegering, koolstofstaal, verzinkt staal of roestvast staal worden toegepast. NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Het leidingwerk wordt gedragen door beugels uit een niet-toegelaten materiaal, terwijl ze de weerstand tegen hoge temperatuur, de RHT-weerstand, moeten behouden zodat de leiding bij brand op haar plaats blijft.
Het risico
Bij brand begeven ongeschikte beugels, bijvoorbeeld uit kunststof, het snel: de leiding kan dan breken en gas vrijgeven dat het vuur voedt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat enkel beugels toe uit koper of koperlegering, koolstofstaal, verzinkt staal of roestvast staal, zodat de weerstand van het leidingwerk tegen hoge temperatuur behouden blijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-053 Een ondergrondse metalen leiding (koper, koolstofstaal, roestvast staal of PLT) moet galvanisch gescheiden zijn van de bovengrondse metalen leiding of van de leiding binnen het gebouw door isolatiekoppelingen of geïsoleerde isolatieflenzen. Dezescheiding behoort bovengronds te zijn aangebracht op ten hoogste 50 cm boven het maaiveld of bij binnenkomst in een gebouw. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.4
Concreet
Bij de keuring was de ondergrondse metalen leiding niet galvanisch gescheiden van het bovengrondse of binnenste deel door een isolatiekoppeling of geïsoleerde flens, of zat die scheiding niet op de juiste plaats.
Het risico
Zonder die scheiding kunnen corrosiestromen lopen tussen het ondergrondse en het bovengrondse deel: de ondergrondse leiding kan wegroesten en onzichtbaar gaan lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat een ondergrondse metalen leiding galvanisch gescheiden is van het bovengrondse deel door isolatiekoppelingen of geïsoleerde flenzen, op maximaal 50 cm boven het maaiveld of bij de binnenkomst in het gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-022 Leidingen moeten met RHT beugels bevestigd worden
Concreet
Bij de keuring bleken de gasleidingen niet bevestigd met RHT-beugels, beugels die bestand zijn tegen hoge temperatuur en de leiding ook bij brand op haar plaats houden.
Het risico
Tijdens een brand begeven bevestigingen die niet hittebestendig zijn het, waardoor de leiding kan breken en het vuur met gas gevoed wordt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de leidingen met RHT-beugels bevestigd zijn, die bestand zijn tegen hoge temperatuur.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-069 De afstand tussen elke gasbuis of tussen een gasbuis en elke andere leiding of kabel moet minstens 4 cm zijn NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Gasbuizen liggen op minder dan 4 cm van elkaar, of op minder dan 4 cm van een andere leiding of kabel.
Het risico
Te dicht bij elkaar zijn leidingen gevoeliger voor contactcorrosie en voor schade door wrijving of door een warme kabel, en is de gasleiding moeilijker te inspecteren en te onderhouden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt minstens 4 cm tussen gasbuizen onderling, en tussen een gasbuis en elke andere leiding of kabel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-062 Het bevestigen van vreemde leidingen of kabels aan gasleidingen is verboden. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat vreemde leidingen of kabels, bijvoorbeeld voor water of elektriciteit, rechtstreeks aan de gasleiding bevestigd zijn.
Het risico
Dat extra gewicht en die extra belasting kunnen de leiding vervormen of de verbindingen onder spanning zetten, met risico op een gaslek. Een elektrische kabel in rechtstreeks contact kan de buis ook beschadigen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt vreemde leidingen of kabels aan gasleidingen te bevestigen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-034 De equipotentiaalverbinding is nog aan te brengen op de gasleiding. NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.3.4
Concreet
Op het moment van de keuring was de metalen gasleiding nog niet aangesloten op de equipotentiaalverbinding, dus op de aarding van de elektrische installatie.
Het risico
Zonder die verbinding kan de metalen leiding bij een elektrisch defect onder spanning komen te staan: aanraking kan een elektrische schok geven, en een vonk zou een eventueel gaslek kunnen doen ontbranden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de gasleiding verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw, volgens het AREI.
Bij wie terecht · Een elektricien.
RGIG-107 Tijdens het persen mag er zich geen abnormale pletting van de koperen of roestvast stalen buis voordoen. (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.5.1)
Concreet
Bij minstens één persverbinding vertoont de koperen of roestvast stalen buis een abnormale pletting die bij het persen is ontstaan.
Het risico
Door de pletting is de buis verzwakt en is de verbinding mogelijk niet meer gasdicht: op termijn kan een gaslek ontstaan, met brand- of ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat er bij het persen geen abnormale pletting van de koperen of roestvast stalen buis ontstaat.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-102 Op circa 20 cm boven de ingegraven leidingen buiten een gebouw moet een geel signalisatieband of -lint met aanduiding “gas- gaz” worden aangebracht, NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.5
Concreet
Het gele signalisatielint met de aanduiding gas-gaz, dat op circa 20 cm boven de ingegraven buitenleiding moet liggen, ontbreekt. Dat lint waarschuwt wie graaft dat er een gasleiding onder ligt.
Het risico
Bij latere graafwerken waarschuwt niets voor de gasleiding: een spade of machine kan ze raken, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een geel signalisatieband of -lint met de aanduiding gas-gaz op circa 20 cm boven de ingegraven leidingen buiten een gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-101 De sleufbodem van leidingen buiten een gebouw moet verwezenlijkt worden op een grondsoort die vrij is van steenslag, corrosieve of snijdende materialen. Deze dient opgevuld te worden met neutraal zand rond de leidingen. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.5
Concreet
Bij de keuring voldeed de sleuf van de ingegraven buitenleiding niet aan de regels: de sleufbodem bevat steenslag of corrosieve of snijdende materialen, of de leiding is niet omgeven door neutraal zand.
Het risico
Stenen of scherpe voorwerpen tegen de leiding kunnen ze mettertijd beschadigen of doen corroderen, tot er een moeilijk op te sporen gaslek in de grond ontstaat.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een sleufbodem zonder steenslag of corrosieve of snijdende materialen, en neutraal zand rond de leidingen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-099 De ingraafdiepte van leidingen buiten een gebouw, gemeten tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld, bedraagt ten minste 60 cm. NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.5
Concreet
Buiten het gebouw ligt de ingegraven gasleiding op minder dan 60 cm diepte, gemeten tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld.
Het risico
Ligt de leiding te dicht bij het oppervlak, dan kan ze geraakt worden bij tuin- of graafwerken, en een gaslek in de grond is moeilijk op te merken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een ingraafdiepte van minstens 60 cm tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld voor leidingen die buiten een gebouw ingegraven zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-066 Leidingen dienen elektrisch geïsoleerd te zijn van hun bevestigingsbeugels indien deze van een ander metaal vervaardigd zijn. NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Bevestigingsbeugels uit een ander metaal dan de gasleiding raken die leiding rechtstreeks, zonder elektrische isolatie ertussen.
Het risico
Contact tussen twee verschillende metalen veroorzaakt zogenaamde galvanische corrosie, die de leiding op het contactpunt aantast en uiteindelijk een gaslek kan veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat leidingen elektrisch geïsoleerd zijn van hun bevestigingsbeugels wanneer die uit een ander metaal zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-061 Koolstofstalen leidingen in vochtige ruimtes / verluchte holle ruimte / technische schacht of bovengronds buiten dienen beschermd te worden tegen corrosie volgens de voorschriften in NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11
Concreet
Koolstofstalen gasleidingen in een vochtige ruimte, een verluchte holle ruimte, een technische schacht of bovengronds buiten zijn niet tegen corrosie beschermd zoals de norm het voorschrijft.
Het risico
Onbeschermd koolstofstaal roest in een vochtige omgeving: de corrosie kan de leiding op termijn doorboren en een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat koolstofstalen leidingen op die plaatsen beschermd zijn tegen corrosie volgens haar voorschriften.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-052 De equipotentiaal verbinding moet steeds op de PLT-fitting worden aangebracht NBN D 51- 003:2010+A2:2021 bijlage I § I3
Concreet
Op de PLT-leiding ontbreekt de equipotentiaalverbinding, die de leiding met de aarding verbindt, of is ze niet op de PLT-fitting zelf aangebracht.
Het risico
Slecht geplaatst werkt de verbinding niet: bij een elektrisch defect of blikseminslag kunnen stromen de dunwandige PLT-buis beschadigen en zelfs een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de equipotentiaalverbinding altijd op de PLT-fitting aangebracht wordt.
Bij wie terecht · Een elektricien of een gasinstallateur.
RGIG-051 Het installatieleidingwerk boven de grond moet worden verbonden met de equipotentiaalverbinding van het gebouw in overeenstemming met het AREI. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het gasleidingwerk boven de grond niet verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw die het AREI voorschrijft.
Het risico
Zonder die verbinding kan het leidingwerk bij een elektrisch defect onder spanning komen te staan, met gevaar voor elektrisering of vonken in de buurt van gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat het leidingwerk boven de grond verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw, volgens het AREI.
Bij wie terecht · Een elektricien.
RGIG-050 Mechanische verbindingen op PLT- buissystemen dienen tenallen tijde verlucht en bereikbaar te zijn NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.3.2 + bijlage I
Concreet
Op het PLT-buissysteem zitten mechanische verbindingen verborgen of in een niet-verluchte ruimte, terwijl ze te allen tijde verlucht en bereikbaar moeten zijn.
Het risico
Aan een verborgen of niet-verluchte verbinding kan een lek onopgemerkt blijven, waardoor het gas zich opstapelt, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat mechanische verbindingen op PLT-buissystemen te allen tijde verlucht en bereikbaar zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-047 In een holle ruimte (vals plafond, verticale wand, omkasting,toegankelijke kruipruimte) zijn enkel las- en harsoldeer verbindingen toegestaan. koppelingen dienen bereikbaar te zijn. Of er dient een niet-afsluitbare verluchting van minstens 150cm2 geplaatst te worden op het hoogste punt NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.2
Concreet
In een holle ruimte, zoals een vals plafond, een verticale wand, een omkasting of een toegankelijke kruipruimte, zijn de voorwaarden van de norm niet nageleefd voor de verbindingen, hun bereikbaarheid of de verluchting van de ruimte.
Het risico
Opgesloten in een holle ruimte kan het gas van een lek zich onopgemerkt ophopen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat in een holle ruimte enkel las- en hardsoldeerverbindingen en bereikbare koppelingen toe. Zo niet, dan is een niet-afsluitbare verluchting van minstens 150 cm² op het hoogste punt vereist.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-044 Niet RHT componenten (650°C) dienen: - ofwel te plaatsen in een kast met een max volume van 0,2m3 met wanden EL30. – ofwel in een gecompartimenteerde ruimte te plaatsen met wanden EL 120 en deuren EL 60 – ofwel te beschermen door een thermische beveiligingsklep (TAS) die stroomopwaarts zit nabij het niet RHT component – ofwel na de stopkraan te plaatsen - ofwel buiten het gebouw te plaatsen NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.2.2
Concreet
Minstens één onderdeel is niet bestand tegen een temperatuur van 650 °C, het is niet RHT, en het geniet geen van de beschermingen of plaatsingen die de norm daarvoor voorziet.
Het risico
Bij brand kunnen deze onderdelen snel bezwijken en gas vrijgeven, wat het vuur sterk aanwakkert met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat een niet-RHT-onderdeel in een kast EI30 van maximaal 0,2 m³ zit, in een ruimte EI120 met deuren EI60, na de stopkraan of buiten, of beschermd is door een thermische beveiligingsklep.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-016 Alle doorgangen door een muur of vloer zijn uitgevoerd met een mantelbuis in metaal of kunststof. De metalen mantelbuis is zelf beschermd tegen corrosie door middel van een kunststof bekleding.
Concreet
Minstens één doorgang van een gasleiding door een muur of vloer heeft geen mantelbuis, of heeft een metalen mantelbuis die zelf niet met een kunststof bekleding tegen corrosie beschermd is.
Het risico
Zonder mantelbuis staat de leiding in rechtstreeks contact met het metselwerk: ze kan er corroderen of onder spanning komen te staan, met een gaslek op een verborgen plaats tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat elke doorgang door een muur of vloer gebeurt met een mantelbuis in metaal of kunststof, waarbij een metalen mantelbuis zelf met een kunststof bekleding tegen corrosie beschermd is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-015 De doorgangen van de leidingen door massieve wanden zijn niet ingemetseld, en er is een vrije ruimte van ongeveer 3 cm rond de leiding voorzien.
Concreet
Waar een gasleiding door een massieve wand gaat, zoals een dikke muur of een betonvloer, is ze rechtstreeks ingemetseld, zonder de vereiste vrije ruimte van ongeveer 3 cm rondom.
Het risico
Vastgemetseld kan de leiding niet meer bewegen: bewegingen van het gebouw of uitzetting kunnen een scheur veroorzaken, met een gaslek op een onzichtbare plaats.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat leidingen door massieve wanden niet ingemetseld zijn, met een vrije ruimte van ongeveer 3 cm rond de leiding.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-014 De aanvulling van de sleuf (leidingen ingegraven buiten een gebouw) en de signalisatie van de leidingen met een geel signalisatielint dat op ongeveer 20 cm boven de leiding geplaatst wordt, moeten uitgevoerd worden volgens de regels van de norm.
Concreet
Bij de keuring voldeed de aanvulling van de sleuf van de ingegraven buitenleiding, of de plaatsing van het gele signalisatielint op ongeveer 20 cm boven de leiding, niet aan de regels van de norm.
Het risico
Slecht uitgevoerd kan de aanvulling de leiding op termijn beschadigen, en zonder lint kan de leiding bij latere graafwerken doorboord worden, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de sleuf volgens haar regels aangevuld wordt en dat de leiding gesignaleerd wordt met een geel lint op ongeveer 20 cm boven de leiding.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-012 De ingraafdiepte van de ingegraven leidingen, gemeten tussen het maaiveld en de bovenzijde van de leiding, wachtkoker of mantelbuis, bedraagt meer dan 0,60 m.
Concreet
Ingegraven gasleidingen liggen niet dieper dan 0,60 m, gemeten tussen het maaiveld en de bovenzijde van de leiding, de wachtkoker of de mantelbuis.
Het risico
Ligt de leiding te ondiep, dan kan ze verpletterd of doorboord worden bij tuin- of graafwerken of door belasting aan de oppervlakte, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een ingraafdiepte van meer dan 0,60 m tussen het maaiveld en de bovenzijde van de leiding, de wachtkoker of de mantelbuis.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-009 De stalen bescherming voor de koperen leidingen en PLT-leidingen die ingewerkt zijn in een muur of onder de chape is beschermd tegen corrosie.
Concreet
Rond de koperen of PLT-leidingen die in een muur of onder de chape ingewerkt zijn, is de stalen bescherming zelf niet tegen corrosie beschermd.
Het risico
In een muur of chape roest onbehandeld staal geleidelijk weg: de bescherming verliest haar functie en op termijn kan de corrosie ook de gasleiding zelf aantasten.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de stalen bescherming van koperen en PLT-leidingen die in een muur of onder de chape ingewerkt zijn, beschermd is tegen corrosie.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-008 De koperen leidingen en PLT-leidingen die ingewerkt zijn in een muur of onder de chape zijn over hun volledige lengte mechanisch beschermd tegen verplettering en accidentele doorboring door een stalen bescherming van minstens 2 mm dik.
Concreet
Koperen of PLT-leidingen die in een muur of onder de chape ingewerkt zijn, zijn niet over hun volledige lengte beschermd door een stalen bescherming van minstens 2 mm dik.
Het risico
Zonder bescherming kan de ingewerkte leiding bij werken geplet of doorboord worden, door boren, een nagel of een schroef, met een verborgen gaslek in de muur.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat koperen en PLT-leidingen in een muur of onder de chape over hun volledige lengte tegen verplettering en doorboring beschermd zijn door een stalen bescherming van minstens 2 mm.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-010 De afstand tussen de gasleidingen onderling of tussen een gasleiding en elke andere leiding of kabel die ingewerkt is in de muur of onder de chape bedraagt minstens 4 cm.
Concreet
In een muur of onder de chape ligt een gasleiding op minder dan 4 cm van een andere gasleiding, een andere leiding of een ingewerkte kabel.
Het risico
Te dicht bij een kabel of een andere leiding kan de gasleiding beschadigd raken door opwarming, contactcorrosie of werken aan de naburige leiding, met een onzichtbaar gaslek in de muur.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt minstens 4 cm tussen ingewerkte gasleidingen onderling, of tussen een gasleiding en elke andere leiding of kabel die in de muur of onder de chape ingewerkt is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-011 De overgang PE-metaal bevindt zich in de grond, buiten het gebouw (RS6) of in de mantelbuis onder het gebouw (RS8), op een afstand van 30 cm tot 1 m van het gebouw.
Concreet
Op de ingegraven leiding ligt de overgang van PE, een kunststof, naar metaal niet op de voorgeschreven plaats: in de grond buiten het gebouw, of in de mantelbuis onder het gebouw, op 30 cm tot 1 m ervan.
Het risico
PE is bedoeld om ingegraven te blijven: komt het bovengronds of binnen in het gebouw, dan kan het beschadigd raken door warmte, licht of een stoot en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de overgang PE-metaal in de grond buiten het gebouw ligt, ruimtelijke schikking 6, of in de mantelbuis onder het gebouw, ruimtelijke schikking 8, op 30 cm tot 1 m van het gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-013 De voorbereiding en de aanvulling van de sleuf (leidingen ingegraven buiten een gebouw) en de signalisatie van de leidingen met een geel signalisatielint dat op ongeveer 20 cm boven de leiding geplaatst wordt, zijn uitgevoerd volgens de regels van de norm.
Concreet
Bij de ingegraven buitenleiding voldoet de voorbereiding van de sleuf, de aanvulling ervan of de plaatsing van het gele signalisatielint op ongeveer 20 cm boven de leiding niet aan de regels van de norm.
Het risico
Zonder correct legbed en correcte aanvulling kunnen stenen of verzakkingen de leiding beschadigen. Zonder geel lint wordt wie later graaft niet gewaarschuwd en kan de leiding doorboord worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de sleuf volgens haar regels voorbereid en aangevuld wordt, en dat de leiding gesignaleerd wordt met een geel lint op ongeveer 20 cm boven de leiding.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-043 Het geheel van de elementen van de binnenleiding (de leidingen, de hulpstukken en de verbindingen, de stopkraan inbegrepen) moet binnen in een gebouw bestand zijn tegen hoge temperatuur (type RHT) NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.2
Concreet
Binnen in het gebouw zijn bepaalde elementen van de binnenleiding, buizen, hulpstukken, verbindingen of de stopkraan, niet bestand tegen hoge temperatuur zoals het type RHT vereist.
Het risico
Bij brand kan een element dat niet hittebestendig is het begeven en gas vrijgeven, wat het vuur aanwakkert met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat binnen een gebouw alle elementen van de binnenleiding, de stopkraan inbegrepen, bestand zijn tegen hoge temperatuur, dus van het type RHT zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-045 De gebruikte mechanische verbindingen in de niet verluchte holle ruimte of technische schacht zijn niet toegestaan NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.3.2
Concreet
Bij de keuring trof de inspecteur mechanische verbindingen aan, demonteerbare koppelingen zoals schroefkoppelingen, in een niet-verluchte holle ruimte of in een technische schacht.
Het risico
Lekt er gas, dan kan het zich in die afgesloten ruimte ophopen zonder opgemerkt of afgevoerd te worden, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt mechanische verbindingen in een niet-verluchte holle ruimte of in een technische schacht.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-046 Het gebruik van koppelingen in een bereikbaar, niet verluchte verticale schacht zijn niet toegestaan. een niet afsluitbare opening van 150cm2 is te plaatsen op het hoogte punt van de schacht op maximum 10cm van de bovenzijde die uitmond in de buitenlucht (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.2.2.)
Concreet
Er zitten koppelingen in een bereikbare verticale schacht die niet verlucht is, waar een eventueel lek niet weg kan.
Het risico
Lekt een koppeling, dan kan het gas zich in de schacht ophopen zonder afgevoerd of opgemerkt te worden, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt koppelingen in een bereikbare, niet-verluchte verticale schacht. De schacht moet bovenaan, op maximaal 10 cm van de bovenzijde, een niet-afsluitbare opening van 150 cm² naar de buitenlucht hebben.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-048 De gebruikte mechanische verbindingen ingewerkt in de muur of ondervloer zijn niet toegestaan NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.3.2
Concreet
Mechanische verbindingen, demonteerbare koppelingen, zijn ingewerkt in de muur of in de ondervloer, waar ze niet meer zichtbaar of controleerbaar zijn.
Het risico
Aan een verborgen verbinding in de muur of onder de vloer zou een lek onopspoorbaar zijn, en het gas zou zich in het gebouw kunnen opstapelen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt mechanische verbindingen die in de muur of onder de chape ingewerkt zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-049 De geplaatste Koperen of PLT leiding ingewerkt in de ondervloer zijn niet mechanisch beschermd door een stalen bescherming van 0,2 cm dik NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.2
Concreet
In de ondervloer liggen koperen of PLT-leidingen, plooibare gegolfde inoxbuizen, zonder de vereiste stalen bescherming van 2 mm dik.
Het risico
Bij latere werken kan boren, nagelen of het opschuren van de vloer de leiding doorboren, met een onzichtbaar gaslek onder de vloer tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat koperen of PLT-leidingen in de ondervloer mechanisch beschermd zijn door een stalen bescherming van 2 mm dik.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-054 Het buitengedeelte van de stijgleiding is elektrisch geïsoleerd van het ingegraven gedeelte. De bevestigingsbeugels zijn elektrisch geïsoleerd van de buis.NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.7.2
Concreet
Op de stijgleiding ontbreekt de vereiste elektrische scheiding: tussen het bovengrondse en het ingegraven gedeelte, of tussen de buis en haar bevestigingsbeugels.
Het risico
Dat elektrisch contact werkt corrosie van de leiding in de hand, waardoor ze kan verzwakken en op termijn gaan lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat het bovengrondse gedeelte van de stijgleiding elektrisch geïsoleerd is van het ingegraven gedeelte, en dat de bevestigingsbeugels elektrisch geïsoleerd zijn van de buis.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-055 Leidingwerk mag geen metallisch contact maken met ander leidingwerk of kabels ter voorkoming van galvanische corrosie, met uitzondering van equipotentiaal verbindingen. (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11)
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het gasleidingwerk rechtstreeks metallisch contact maakt met ander leidingwerk of met kabels, wat galvanische corrosie in de hand werkt.
Het risico
Op het contactpunt roest de leiding geleidelijk weg en kan ze uiteindelijk gaan lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt elk metallisch contact tussen het gasleidingwerk en ander leidingwerk of kabels, met uitzondering van de equipotentiaalverbindingen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-056 De leidingen en of verbindingen zijn niet correct beschermd tegen corrosie in functie van de ruimtelijke schikking en de corrosiviteit van het milieu. (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11.2.2)
Concreet
Bij de keuring bleken de leidingen of hun verbindingen onvoldoende beschermd tegen corrosie, rekening houdend met de plaats waar ze liggen en de corrosiviteit van de omgeving, bijvoorbeeld vocht.
Het risico
Corrosie verzwakt de leiding geleidelijk en kan op termijn een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een bescherming tegen corrosie die past bij de ligging van de leidingen en verbindingen en bij de corrosiviteit van de omgeving.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-057 Leidingen ingewerkt in de muur of vloer zijn niet voorzien van een vanuit de fabriek vooziene bekleding of een in artikel 4.11.3 omschreven alternatief. (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11.3)
Concreet
Er zijn gasleidingen ingewerkt in de muur of vloer zonder bekleding vanuit de fabriek, en ook zonder een van de alternatieven die de norm toelaat.
Het risico
Zonder die bescherming kan de leiding onzichtbaar corroderen in de muur of vloer, en een gaslek zou moeilijk op te sporen zijn.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat leidingen die in de muur of vloer ingewerkt zijn, een fabrieksbekleding hebben of een gelijkwaardige bescherming die de norm beschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-058 Verwijderde of beschadigde vanuit de fabriek aangebrachte bekleding moet bekleed worden zoals omschreven in NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11.2.3
Concreet
Op bepaalde plaatsen is de bekleding die vanuit de fabriek op de gasleiding is aangebracht verwijderd of beschadigd, en niet hersteld. Het metaal van de buis ligt daar dus bloot.
Het risico
Waar het metaal blootligt, kan de leiding corroderen, waardoor ze verzwakt en er op termijn een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat een verwijderde of beschadigde fabrieksbekleding hersteld wordt zoals de norm het beschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-059 Koperen leidingen ingewerkt in de ondervloer dienen voorzien te zijn van een bekleding vanuit de fabriek. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11
Concreet
Er liggen koperen gasleidingen in de ondervloer zonder bekleding die vanuit de fabriek is aangebracht.
Het risico
In rechtstreeks contact met de ondervloer en vocht kan onbeschermd koper onzichtbaar corroderen, met op termijn een gaslek onder de vloer tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat koperen leidingen die in de ondervloer ingewerkt zijn, een bekleding vanuit de fabriek hebben.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-060 Koperen leidingen in vochtige ruimtes / verluchte holle ruimte / technische schacht of bovengronds buiten dienen vanuit de fabriek bekleed te zijn of zijn te voorzien van een verfsysteem NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11
Concreet
Koperen gasleidingen in een vochtige ruimte, een verluchte holle ruimte, een technische schacht of bovengronds buiten hebben geen bekleding vanuit de fabriek en ook geen verfsysteem.
Het risico
Onbeschermd koper corrodeert geleidelijk in een vochtige omgeving, waardoor de leiding verzwakt en er een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat koperen leidingen op die plaatsen vanuit de fabriek bekleed zijn of voorzien zijn van een verfsysteem.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-063 zichtbare horizontale leidingen bevinden zich op minstens 5 cm boven het peil van de afgewerkte vloer. NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.3.1
Concreet
Zichtbare horizontale gasleidingen lopen op minder dan 5 cm boven de afgewerkte vloer.
Het risico
Zo dicht bij de vloer staat de leiding meer bloot aan vocht, schoonmaakwater en stoten, wat corrosie en beschadigingen in de hand werkt die tot een gaslek kunnen leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat zichtbare horizontale leidingen op minstens 5 cm boven het peil van de afgewerkte vloer liggen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-067 Enkel PLT-buizen die op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen zijn geplaatst, mogen bevestigd worden met kunststof beugels of strips. NBN 51- 003:2010+A2:2021 Bijlage I §2
Concreet
Kunststof beugels of strips bevestigen de gasleiding op een plaats waar dat niet toegelaten is: die bevestiging mag enkel voor PLT-buizen op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen.
Het risico
Bij brand smelten kunststof bevestigingen snel: de leiding wordt dan niet meer ondersteund, kan breken en gas vrijgeven dat het vuur voedt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat kunststof beugels of strips enkel toe voor PLT-buizen op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-070 In een laag gasbuizen bevindt de verst verwijderde gasbuis zich op maximum 50 cm van de bereikbare rand van deze laag NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.1
Concreet
Meerdere gasbuizen liggen samen in een laag, maar de verst verwijderde gasbuis bevindt zich op meer dan 50 cm van de bereikbare rand van die laag.
Het risico
Buiten bereik kan een gasbuis niet behoorlijk geïnspecteerd of hersteld worden: een gebrek of een beginnend lek kan zo onopgemerkt blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat in een laag gasbuizen de verst verwijderde buis op maximaal 50 cm van de bereikbare rand ligt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-074 Aan de bovenzijde van de doorgang van een aan vochtigheid blootgestelde vloer (water voor de schoonmaak) steekt de mantelbuis minstens 5 cm boven de vloer uit. (NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.11.5)
Concreet
Waar de gasleiding door een vloer gaat die nat kan worden, bijvoorbeeld bij het schoonmaken met water, steekt de mantelbuis niet minstens 5 cm boven de vloer uit, of ontbreekt ze.
Het risico
Vocht dat tegen de leiding blijft staan, kan ze op termijn door corrosie aantasten en uiteindelijk een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de mantelbuis bij de doorgang door een vloer die aan vocht blootgesteld is, minstens 5 cm boven de vloer uitsteekt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-100 Wanneer de minimale ingraafdiepte van leidingen buiten een gebouw niet kan worden nageleefd dient de leiding zo diep mogelijkgeplaatst te worden - Boven de leiding moet over de hele lengte waarop de leiding onvoldoende diep ligt kunststof of metalen beschermingsplaten geplaatst te worden. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.5
Concreet
De ingegraven buitenleiding haalt de minimale ingraafdiepte niet, en de kunststof of metalen beschermingsplaten die dan vereist zijn, ontbreken boven het te ondiepe deel.
Het risico
Zonder die platen kan een spade of graafmachine de leiding bij latere werken doorboren, met een gaslek in de grond tot gevolg.
Wat de regel vraagt
Kan de minimale ingraafdiepte niet gehaald worden, dan vraagt de norm NBN D 51-003 dat de leiding zo diep mogelijk ligt en over de hele betrokken lengte afgedekt is met beschermingsplaten.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-103 De installaties met polyethyleen-buizen zijn slechts toegelaten voor de ingegraven gedeelten van een installatie buiten of onder het gebouw. De overgang van PE (buiten) naar binnen dient te gebeuren tussen de 30 – 100cm voor het gebouw NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.5
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een polyethyleenbuis, of PE-buis, een kunststof, gebruikt is buiten de ingegraven delen, of dat de overgang van PE naar een ander materiaal niet tussen 30 en 100 cm vóór het gebouw ligt.
Het risico
Bovengronds of binnen staat een PE-buis bloot aan beschadiging en kan ze smelten, zeker bij brand, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat polyethyleen enkel toe voor de ingegraven delen, buiten of onder het gebouw, en vraagt dat de overgang naar binnen gebeurt tussen 30 en 100 cm vóór het gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-104 Leidingen in koper en PLT dienen voorzien te zijn van een mechanische bescherming tot op een hoogte van 2m buiten het gebouw NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.2.7
Concreet
Buiten het gebouw heeft de leiding in koper of PLT, een plooibare gegolfde metalen buis, geen mechanische bescherming tot op 2 m hoogte.
Het risico
Zonder bescherming kan de leiding geplet of doorboord worden door een stoot, van een voertuig, werktuig of voorwerp, met een gaslek langs de gevel tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat leidingen in koper en PLT buiten het gebouw mechanisch beschermd zijn tot op een hoogte van 2 m.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-105 knelfittings zijn slechts toegelaten voor koperen buizen en roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 28 mm en dienen geschikt te zijn voor GAS (NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.5.1)
Concreet
Minstens één knelfitting voldoet niet aan de gebruiksvoorwaarden van dit type fitting: ze zit op een buis uit een ander materiaal of met een buitendiameter van meer dan 28 mm, of ze is niet geschikt voor gas.
Het risico
Is een knelfitting niet aangepast, dan kan ze mettertijd loskomen of haar dichtheid verliezen, met een gaslek ter hoogte van de koppeling tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat knelfittings enkel toe op koperen of roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 28 mm, en die fittings moeten geschikt zijn voor gas.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-106 persfittings zijn slechts toegelaten voor koperen buizen en roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 54 mm en dienen geschikt te zijn voor GAS (NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.5.1
Concreet
Minstens één persfitting voldoet niet aan de gebruiksvoorwaarden van dit type fitting: ze zit op een buis uit een ander materiaal of met een buitendiameter van meer dan 54 mm, of ze is niet geschikt voor gas.
Het risico
Is een persfitting niet voor gas bedoeld, dan kan ze mettertijd haar dichtheid verliezen, met een gaslek en dus brand- of ontploffingsgevaar tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat persfittings enkel toe op koperen of roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 54 mm, en die fittings moeten geschikt zijn voor gas.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-108 Schroefdraadverbindingen uitgevoerd door gebruik te maken van hygroscopischevezels, bijvoorbeeld natuurlijke hennep, is verboden. (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.5 / NBN 51-004 § 5.1.4.3.1)
Concreet
Schroefdraadverbindingen zijn dichtgemaakt met vezels die vocht opnemen, hygroscopische vezels, zoals natuurlijke hennep.
Het risico
Mettertijd zwellen en krimpen die vezels met het vocht: de dichtheid van de verbinding kan achteruitgaan en er kan gas ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt schroefdraadverbindingen die met hygroscopische vezels, zoals natuurlijke hennep, zijn afgedicht.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-109 De gebruikte onderdelen zijn niet geschikt voor gas installaties (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.5.1)
Concreet
Bepaalde onderdelen van de installatie, zoals fittingen, kranen of buizen, zijn niet geschikt voor gas. Vaak gaat het om materiaal dat voor water of verwarming bedoeld is.
Het risico
Zo'n onderdeel kan corroderen of zijn dichtheid verliezen, met een gaslek en dus brand- of ontploffingsgevaar tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat enkel onderdelen toe die geschikt zijn voor gasinstallaties.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-203 Schroefdraadverbindingen uitgevoerd door gebruik te maken van hygroscopische vezels, bijvoorbeeld natuurlijke hennep, is verboden. 51.003 § 6.3.4.1
Concreet
Schroefdraadverbindingen zijn dichtgemaakt met vezels die vocht opnemen, hygroscopische vezels, zoals natuurlijke hennep.
Het risico
Mettertijd zwellen en krimpen die vezels met het vocht: de dichtheid van de verbinding kan achteruitgaan en er kan gas ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt schroefdraadverbindingen die met hygroscopische vezels, zoals natuurlijke hennep, zijn afgedicht.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Flexibels & toestelaansluitingen (9)
RGIG-096 de elastomeren slang heeft zijn vervaldatum overschreden (max 10
Concreet
Bij de keuring had de elastomeren slang, een soepele rubberen slang die het toestel aansluit, haar vervaldatum overschreden. Dit type slang mag maximaal 10 jaar gebruikt worden.
Het risico
Met de jaren veroudert het rubber: na de vervaldatum kan de slang verharden, barsten en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de elastomeren slang haar vervaldatum niet overschreden heeft, met een maximum van 10 jaar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-095 Een elastomeren slang mag enkel gebruikt worden voor de aansluiting van een komfoor NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 6.6.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een elastomeren slang, een soepele rubberen slang, een ander toestel dan een komfoor aansluit.
Het risico
Op een toestel waarvoor ze niet bedoeld is, kan zo'n slang zwaarder belast worden dan voorzien of sneller verouderen, met een gaslek als mogelijk gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat de elastomeren slang enkel toe voor de aansluiting van een komfoor.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-024 Darm van de kookplaat moet volgens de norm aangesloten worden
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat de slang van de kookplaat niet aangesloten is zoals de norm voorschrijft, bijvoorbeeld door een niet-toegelaten type slang of een foute plaatsing.
Het risico
Zo'n aansluiting is een gevoelig punt: een niet-conforme aansluiting kan lekken of beschadigd raken door de warmte van het koken, met gevaar voor een gaslek en brand in de keuken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de slang van de kookplaat volgens haar regels aangesloten is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-091 Metalen slangen mogen enkel gebruikt worden wanneer het gebruik van starre leidingen niet mogelijk is NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een metalen slang gebruikt is op een plaats waar een starre, vaste leiding mogelijk was.
Het risico
Kwetsbaarder dan een starre leiding kan een slang geplooid, geplet of beschadigd raken, met een gaslek als mogelijk gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat metalen slangen enkel toe wanneer een starre leiding niet mogelijk is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-092 Metalen slangen mogen niet ingewerkt worden in de muur of ondervloer NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een metalen slang ingewerkt is in de muur of in de ondervloer.
Het risico
Ingewerkt kan de slang niet meer nagekeken worden en kan ze ongemerkt beschadigd raken. Een gaslek zou zich dan onopgemerkt in de constructie kunnen ophopen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt metalen slangen in te werken in de muur of in de ondervloer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-093 metalen slangen mogen niet in serie staan NBN 51-003:2010+A2:2021 § 4.4.4
Concreet
Meerdere metalen slangen zijn achter elkaar gekoppeld, in serie, om het toestel te bereiken.
Het risico
Elke extra koppeling tussen slangen is een zwak punt waar een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt metalen slangen in serie te plaatsen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-094 Metalen slangen mogen maximum 2m lang zijn. NBN 51- 003:2010+A2:2021 § 4.4.4
Concreet
Bij de keuring was de metalen slang die het toestel aansluit langer dan 2 meter.
Het risico
Hoe langer de slang, hoe groter de kans dat ze geplooid, gekneld of beschadigd raakt, met een gaslek als mogelijk gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 beperkt de lengte van een metalen slang tot 2 m.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-097 Een stopkraan wordt stroomopwaarts van de slang gemonteerd op het vaste uiteinde van de binnenleiding NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 6.6.2
Concreet
Er ontbreekt een stopkraan net vóór de slang, op het vaste uiteinde van de binnenleiding, om het gas naar het toestel op die plaats af te sluiten.
Het risico
Zonder stopkraan op die plaats kan het gas niet snel afgesloten worden bij een lek aan de slang of het toestel, of bij de vervanging van het toestel.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een stopkraan stroomopwaarts van de slang, op het vaste uiteinde van de binnenleiding.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-098 een PLT-buissysteem mag niet toegepast worden stroomafwaarts van de stopkraan van een gastoestel. NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 6.6.1
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een PLT-leiding, een plooibare gegolfde metalen buis, gebruikt is na de stopkraan van het toestel, dus voor de eindaansluiting ervan.
Het risico
Na de stopkraan wordt het leidingdeel gemanipuleerd bij onderhoud of vervanging van het toestel. Een materiaal dat daar niet voor bedoeld is, verhoogt het risico op een gaslek.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt een PLT-buissysteem stroomafwaarts van de stopkraan van een gastoestel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Gastoestellen (6)
RGIG-036 Elk geplaatst verbruikerstoestel dient een CE-keurmerk , een BE markering te hebben en dient van het type cat I2E+, I2E(S) B, I2E(R)B, I2N, II2E+3+ of II2E+3P te zijn NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 3.3 / NBN DTD 61-002 § 6.3
Concreet
Minstens één gastoestel draagt niet de CE-markering en de BE-markering, of behoort niet tot een categorie die geschikt is voor het gas dat in België verdeeld wordt.
Het risico
Is het toestel niet gecertificeerd of niet geschikt voor het verdeelde gas, dan kan het slecht werken of slecht verbranden, met risico op een gaslek of op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat elk geplaatst toestel een CE- en een BE-markering draagt en van categorie I2E+, I2E(S)B, I2E(R)B, I2N, II2E+3+ of II2E+3P is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-021 Ketel mag niet gebruikt worden in de omgeving moet G20 zijn
Concreet
In deze streek levert het net gas van het type G20, maar de geplaatste ketel is daar niet voor voorzien of afgesteld. De ketel mag daarom in deze toestand niet gebruikt worden.
Het risico
Werkt de ketel op een gas waarvoor ze niet ontworpen is, dan kan ze slecht verbranden, koolstofmonoxide vormen en beschadigd raken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat een toestel geschikt is voor het gas dat in de streek verdeeld wordt, hier gas van het type G20.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-119 Toestellen van het type B mogen niet opgesteld worden in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 6 / NBN DTD 61-002 § 4.1.1.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B, dat zijn verbrandingslucht haalt uit de ruimte waarin het staat, opgesteld is in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC.
Het risico
In die afgesloten ruimtes waar men slaapt of zich wast, kan een slechte verbranding snel tot koolstofmonoxidevergiftiging leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt een toestel van het type B op te stellen in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-120 Toestellen van het type B en een vermogen >30 kW en < 70kW zijn niet toegelaten in een ruimte die een woonfunctie heeft (woonkamer, keuken, slaapkamer, badkamer, studeerkamer, speelkamer) of een toiletruimte / WC (NBN DTD 61-002 § 4.1.2)
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B van meer dan 30 kW en minder dan 70 kW opgesteld staat in een woonruimte, zoals een woonkamer, keuken, slaapkamer, badkamer, studeerkamer of speelkamer, of in een WC.
Het risico
Met zo'n vermogen verbruikt het toestel veel lucht: in een woonruimte kan een verstoorde verbranding de bewoners blootstellen aan koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 verbiedt een toestel van het type B van meer dan 30 kW en minder dan 70 kW op te stellen in een ruimte met woonfunctie of in een WC.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-122 De toestellen van het type B11 met CE- keurmerk moeten van het type B11AS, B11BS of B11CS zijn uitgezonderd de toestellen die in open lucht geïnstalleerd zijn NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.1.1.1.4
Concreet
Het toestel van het type B11 met CE-markering, aangesloten op een schouw, is geen uitvoering B11AS, B11BS of B11CS, dus geen uitvoering met een beveiliging die het uitschakelt bij terugslag van de rookgassen.
Het risico
Zonder die beveiliging kan terugslag van rookgassen onopgemerkt blijven en tot vergiftiging leiden door koolstofmonoxide, een onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat een toestel van het type B11 met CE-markering van het type B11AS, B11BS of B11CS is, behalve als het in open lucht staat.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-132 De vrije ruimte rond het toestel is onvoldoende om onderhoud ofherstellingen te kunnen uitvoeren en of de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant zijn niet nageleeft (NBN DTD 61- 002 § 4.4)
Concreet
Rond het toestel is er onvoldoende vrije ruimte voor onderhoud of herstellingen, of de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant, zoals afstanden en vrije zones, zijn niet nageleefd.
Het risico
Moeilijk bereikbaar kan het toestel niet behoorlijk onderhouden worden: gebreken kunnen onopgemerkt blijven en de veilige werking die de fabrikant voorziet, is niet langer gegarandeerd.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt voldoende vrije ruimte rond het toestel voor onderhoud en herstellingen, en het naleven van de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Ventilatie & rookgasafvoer (30)
RGIG-130 De uitmonding van het Type C toestel voldoet niet aan het “huisje in perspectief” . NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.4.1
Concreet
Het toestel is van het type C, een gesloten toestel: het haalt zijn lucht buiten en blaast zijn rookgassen rechtstreeks naar buiten via een muur- of dakdoorvoer. De uitmonding voldoet niet aan de regel van het huisje in perspectief, die de afstanden tot ramen, openingen en naburige gebouwen vastlegt.
Het risico
Rookgassen die te dicht bij een opening uitgestoten worden, kunnen de woning of die van de buren binnendringen of opnieuw door het toestel aangezogen worden, met gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de uitmonding van een toestel van het type C voldoet aan de regel van het huisje in perspectief, die de toegelaten plaatsen bepaalt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-226 Positie van rookgasafvoer is niet toegestaan
Concreet
Bij de keuring lag de uitmonding van de rookgasafvoer, de plaats waar de verbrandingsgassen het gebouw verlaten aan de gevel of op het dak, op een positie die de norm niet toelaat.
Het risico
Slecht geplaatst kan de uitmonding verbrandingsgassen terug in de woning laten komen, bijvoorbeeld via een raam of een verluchtingsopening, met risico op koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de uitmonding van de rookgasafvoer op een plaats ligt die ze toelaat, volgens het type toestel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-133 De schouw is niet afgewerkt of geplaatst NBN D 51- 003:2010+A2:2021
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat de schouw niet afgewerkt of nog niet geplaatst is. Het toestel heeft dus geen volledige afvoer van zijn rookgassen naar buiten.
Het risico
Zolang de schouw niet klaar is, kunnen de verbrandingsgassen niet correct afgevoerd worden, en het toestel gebruiken zou de bewoners blootstellen aan koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de schouw van het toestel geplaatst en afgewerkt is, zodat de verbrandingsgassen naar buiten afgevoerd worden.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-121 Bij natuurlijke ventilatie van de opstellingsruimte voor CV ketels type B zonder ventilator dient de doorlaat van het luchtafvoerkanaal of van de afvoeropening minimaal 1/3 van de doorlaat van de luchttoevoer te zijn met een minimum van 50 cm2 (NBN DTD 61-002 § 5.2.1)
Concreet
Bij de keuring bleek de luchtafvoer van de natuurlijk geventileerde ruimte met een cv-ketel van het type B zonder ventilator te ontbreken of te klein te zijn ten opzichte van de luchttoevoer.
Het risico
Zonder voldoende luchtafvoer wordt de lucht in de ruimte slecht ververst: de verbranding kan verslechteren en verbrandingsproducten, waaronder koolstofmonoxide, kunnen zich opstapelen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat de doorlaat van de luchtafvoer van de ruimte minstens een derde van die van de luchttoevoer bedraagt, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-138 Aansluit- en afvoerkanalen in kunststof dienen steeds tegen brand beschermd te zijn door een brandwerend omhulsel. (NBN DTD 61-002 § 7.1.2.2.3
Concreet
Het afvoerkanaal voor de verbrandingsgassen, of het aansluitkanaal, is in kunststof uitgevoerd maar niet omgeven door een brandwerend omhulsel.
Het risico
Bij brand kan een onbeschermd kunststof kanaal snel smelten of mee verbranden, waardoor het vuur zich verspreidt en verbrandingsgassen in de woning kunnen vrijkomen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat aansluit- en afvoerkanalen in kunststof altijd tegen brand beschermd zijn door een brandwerend omhulsel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-142 De afstand tussen het afvoerkanaal en brandbare materialen is onvoldoende. (NBN DTD)
Concreet
Het afvoerkanaal voor de verbrandingsgassen loopt te dicht langs brandbare materialen, zoals hout of isolatie.
Het risico
Na verloop van tijd kan de warmte van het kanaal brandbare materialen in de buurt uitdrogen en doen ontbranden, met brand tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een veiligheidsafstand tussen het afvoerkanaal, dat warm kan worden, en elk brandbaar materiaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-140 Elk afvoerkanaal waarin zich condensaten kunnen vormen is op zijn laagste punt verbonden met het afvoersysteem voor afvalwater van het gebouw (NBN DTD 61- 002 § 7.1.2.3)
Concreet
In het afvoerkanaal kan condensaat ontstaan, water dat zich vormt wanneer de verbrandingsgassen afkoelen, maar het laagste punt van het kanaal is niet aangesloten op de afvalwaterafvoer van het gebouw.
Het risico
Zonder afvoer hoopt het condensaat zich onderaan het kanaal op: het kan het kanaal aantasten en op termijn de afvoer van de verbrandingsgassen hinderen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat elk afvoerkanaal waarin condensaat kan ontstaan, op zijn laagste punt aangesloten is op het afvalwatersysteem van het gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-128 Het verwijde uiteinde van de ineenschuifbare aansluitkanalen wordt steeds gericht in de zin van de afvoer van de verbrandingsgassen (+NBN DTD 61-002 7.3.6.5
Concreet
Ineenschuifbare aansluitkanalen bestaan uit elementen die in elkaar schuiven. Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat minstens één verwijd uiteinde niet in de richting van de rookgasafvoer wijst.
Het risico
Verkeerd om gemonteerd kunnen rookgassen of condensaat ontsnappen ter hoogte van de verbindingen, met risico op koolstofmonoxide in de ruimte.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat het verwijde uiteinde van elk ineenschuifbaar element van het aansluitkanaal altijd gericht is in de zin van de afvoer van de verbrandingsgassen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-116 De verbrandingslucht moet bij een verticaalluchttoevoerkanaal toegevoerd worden onderaan het lokaal, de luchtiname op het dak dient voorzien te worden van een kruiskap in de statische overdrukzone 3 NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1.5
Concreet
Het toestel krijgt zijn verbrandingslucht via een verticaal kanaal dat niet voldoet aan de regels van de norm, voor de luchttoevoer in het lokaal of voor de luchtinname op het dak.
Het risico
Verkeerd geplaatst of uitgerust kan de luchttoevoer omgekeerd werken of te weinig lucht aanvoeren, met onvolledige verbranding en risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat die lucht onderaan het lokaal toekomt en dat de luchtinname op het dak, in de statische overdrukzone 3, voorzien is van een kruiskap.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-115 De luchttoevoeropeningen mogen niet afsluitbaar zijn . NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1 + NBN DTD 61- 002 § 6.3
Concreet
Bij de keuring bleek dat de luchttoevoeropeningen van de opstellingsruimte afgesloten kunnen worden, bijvoorbeeld met een regelbaar rooster, een klep of een luik.
Het risico
Wordt een opening gesloten, zelfs onbedoeld, dan krijgt het toestel te weinig lucht, verslechtert de verbranding en kan er koolstofmonoxide in de ruimte ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de luchttoevoeropeningen niet afsluitbaar zijn, zodat de verbrandingslucht altijd kan binnenkomen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-110 Een toevoeropening voor buitenlucht is voorzien in elke opstellingsruimte van een toestel met open verbrandingskring. Indien het toestel een vermogen betreft < 30 kW en in een bestaand gebouw opgesteld staat mag dit via maximum 2 doorstroomopeningen NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1.2
Concreet
In de opstellingsruimte van een toestel met open verbrandingskring, dat zijn verbrandingslucht uit de ruimte zelf haalt, ontbreekt de vereiste toevoer van buitenlucht.
Het risico
Zonder voldoende luchttoevoer verloopt de verbranding onvolledig en kan er koolstofmonoxide ontstaan, een onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een toevoer van buitenlucht in elke opstellingsruimte van een toestel met open verbrandingskring. Voor een toestel van minder dan 30 kW in een bestaand gebouw mag dat via maximaal twee doorstroomopeningen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-111 In elk nieuw gebouw waar een toestel met open verbrandingskring(type B) is opgesteld moet een toevoer van verbrandingslucht rechtstreeks vanuit de buitenlucht voorzien zijn. NBN DTD 61-002 § 6.1
Concreet
In dit nieuwe gebouw krijgt het toestel van het type B, met open verbrandingskring, zijn verbrandingslucht niet rechtstreeks van buiten. Een onrechtstreekse toevoer via andere ruimtes is niet genoeg.
Het risico
Nieuwe gebouwen zijn vaak zeer luchtdicht: zonder rechtstreekse luchttoevoer kan het toestel zuurstof tekortkomen, slecht verbranden en koolstofmonoxide produceren.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat een toestel van het type B in elk nieuw gebouw zijn verbrandingslucht rechtstreeks uit de buitenlucht krijgt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-112 De luchttoevoer van Type B1* toestel is niet conform of ontbreekt: Rechtstreeks naar buiten: 6cm2/kW / 1 doorstroomopeningen: 8cm2/kW / 2 doorstroomopeningen: 10cm2/kW en met een minimum grote van 50cm2 (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1.4 + NBN DTD 61- 002 § 6.2)
Concreet
Bij de keuring ontbrak de luchttoevoer van de ruimte waar het toestel van het type B1 staat, of was ze te klein. Dat toestel met trekonderbreker is aangesloten op een schouw, maar haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte.
Het risico
Krijgt het toestel te weinig lucht, dan verloopt de verbranding onvolledig en kan er koolstofmonoxide ontstaan, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt 6 cm² per kW bij rechtstreekse toevoer van buiten, 8 cm² per kW via één doorstroomopening en 10 cm² per kW via twee, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-113 De luchttoevoer van Type B2* toestel is niet conform of ontbreekt: Rechtstreeks naar buiten: 3cm2/kW / 1 doorstroomopeningen: 4cm2/kW / 2 doorstroomopeningen: 5cm2/kW en met een minimum grote van 50cm2 (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1.4 + NBN DTD 61- 002 § 6.2)
Concreet
Bij de keuring ontbrak de luchttoevoer van de ruimte waar het toestel van het type B2 staat, of was ze te klein. Dat toestel zonder trekonderbreker is aangesloten op een afvoerkanaal, maar haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte.
Het risico
Krijgt het toestel te weinig lucht, dan verbrandt het onvolledig en kan het koolstofmonoxide produceren, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt 3 cm² per kW bij rechtstreekse toevoer van buiten, 4 cm² per kW via één doorstroomopening en 5 cm² per kW via twee, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-114 Toestel type B geplaatst in een kelder voorzien van verse lucht via het keldergat : de diepte van de opstellingsruimte is niet groter dan 5m, en de vrije oppervlakte van het keldergat bedraagt minstens 5x de normaal berekende oppervlakte bepaald in NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.1.4
Concreet
Het toestel van het type B staat in een kelder die verse lucht krijgt via het keldergat, maar de voorwaarden voor die opstelling zijn niet vervuld, voor de diepte van de ruimte of voor de vrije oppervlakte van het keldergat.
Het risico
In een kelder met te weinig luchttoevoer kan het toestel zuurstof tekortkomen en koolstofmonoxide produceren dat zich in de ruimte opstapelt, met vergiftigingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat die opstelling toe als de ruimte niet dieper is dan 5 m en de vrije oppervlakte van het keldergat minstens 5 keer de normaal berekende toevoeroppervlakte bedraagt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-117 NBN DTD 61-002 : In een verticaal luchtaanvoerkanaal moet de verbrandingslucht langs de onderzijde van het gebouw worden aangezogen en de opening voor luchtinname moet gesitueerd zijn in een gevelvlak dat aangrenzend is met het dakvlak waarin het bijhorend afvoerkanaal van de verbrandingsproducten uitmondt. (NBN DTD 61- 002 § 6.3)
Concreet
Het toestel krijgt zijn verbrandingslucht via een verticaal luchttoevoerkanaal, maar de luchtinname is niet geplaatst zoals de technische regels voorschrijven.
Het risico
Verkeerd geplaatst kan de luchtinname de afgevoerde verbrandingsproducten opnieuw aanzuigen of een onstabiele trek veroorzaken, met risico op koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat de lucht van een verticaal luchttoevoerkanaal langs de onderzijde van het gebouw aangezogen wordt, via een opening in een gevelvlak dat grenst aan het dakvlak waarin het bijhorende afvoerkanaal uitmondt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-118 Toestellen type B1 mogen niet opgesteld staan in ruimtes die voorzien zijn van mechanische ventilatie. (NBN DTD 61-002 § 5.3.1) NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.2.3
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B1, aangesloten op een schouw en met trekonderbreker, opgesteld staat in een ruimte met mechanische ventilatie.
Het risico
Mechanische afzuiging kan de trek van de schouw omkeren en de rookgassen, waaronder koolstofmonoxide, de ruimte in stuwen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt een toestel van het type B1 op te stellen in een ruimte met mechanische ventilatie.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-123 Het is verboden toestellen van de typen B22(P) en B23(P) aan te sluiten op een gemeenschappelijk afvoerkanaal. NBN D51-003:2010+A2:2021 § 5.3.1.1.1.6 / NBN DTD 61-002 7.6.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B22 of B23, waarbij een ventilator de rookgassen wegblaast, aangesloten is op een gemeenschappelijk afvoerkanaal dat met andere toestellen gedeeld wordt.
Het risico
Onder druk geblazen rookgassen kunnen via de andere aansluitingen terugstromen en zich in andere ruimtes of woningen verspreiden, met gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt toestellen van het type B22(P) of B23(P) aan te sluiten op een gemeenschappelijk afvoerkanaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-124 Het afvoerkanaal is niet lekdicht NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.1.1.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het afvoerkanaal van het toestel niet lekdicht is, bijvoorbeeld door slechte dichtingen, barsten of slecht samengevoegde elementen.
Het risico
Verbrandingsgassen kunnen in de woning terechtkomen in plaats van naar buiten te gaan, met gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat het afvoerkanaal van de verbrandingsgassen lekdicht is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-125 Toestellen type B1 met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW hebben een aansluitkanaal met een verticaal gedeelte van minstens 50 cm. NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 5.3.1.2.5.2 / NBN DTD 61-002 7.3.6
Concreet
Het aansluitkanaal van een toestel van het type B1 van minder dan 70 kW, de buis tussen het toestel en de schouw, heeft niet het vereiste verticale gedeelte van minstens 50 cm.
Het risico
Zonder dat verticale gedeelte komt de trek moeilijk op gang: de rookgassen kunnen in de ruimte terugslaan, met gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat het aansluitkanaal van een toestel van het type B1 van minder dan 70 kW een verticaal gedeelte van minstens 50 cm heeft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-126 de totale lengte van het aansluitkanaal mag niet groter zijn dan één vierde van de trekhoogte van het afvoerkanaal. Indien deze trekhoogte kleiner dan 8 m is, mag de maximumlengte 2 m bedragen. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.1.2.5.2 / NBN DTD 61-002 7.3.6
Concreet
Het aansluitkanaal, dat het toestel met de schouw verbindt, is te lang in verhouding tot de trekhoogte van het afvoerkanaal.
Het risico
Is het aansluitkanaal te lang, dan worden de rookgassen afgeremd en afgekoeld: de trek wordt onvoldoende en de verbrandingsgassen kunnen in de ruimte terugslaan, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 beperkt de totale lengte van het aansluitkanaal tot een vierde van de trekhoogte van het afvoerkanaal. Is die trekhoogte kleiner dan 8 m, dan blijft 2 m toegelaten.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-127 Toestel type B met natuurlijke trek : Geen enkel brandbaar materiaal mag onbeschermd gebruikt worden op minder dan 0,15 m van het losstaand afvoerkanaal. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.1.1.13.4
Concreet
Brandbaar materiaal, zoals hout, platen of isolatie, bevindt zich onbeschermd op minder dan 0,15 m van het afvoerkanaal van een toestel van het type B met natuurlijke trek.
Het risico
Na verloop van tijd kan het kanaal, dat warm wordt als het toestel werkt, dat materiaal zo sterk opwarmen dat het vuur vat.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt onbeschermd brandbaar materiaal op minder dan 0,15 m van het losstaande afvoerkanaal van een toestel van het type B met natuurlijke trek.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-129 De uitmonding van het afvoerkanaal (type B) met natuurlijke trek moet steeds uitmonden in zone 1 of 2 . in zone 2 moet steeds een
Concreet
Bij een toestel van het type B met natuurlijke trek voldoet de uitmonding van het afvoerkanaal niet aan de dakzones uit de norm: ze ligt niet in zone 1 of 2, of ze ligt in zone 2 zonder statische afvoerkap, de kap die de trek bevordert.
Het risico
Slecht geplaatst staat de uitmonding bloot aan de wind: de trek wordt onregelmatig en de rookgassen kunnen terugslaan in de woning, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat die uitmonding in zone 1 of zone 2 van het dak ligt, en dat ze in zone 2 altijd voorzien is van een statische afvoerkap.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-131 De inhoud van de opstellingsruimte is te klein (toesstel type C) (PN/m3 ≥35) extra boven- en onderverluchting is te voorzien van elk 1cm2/kW en min. 50 cm2 B61-002 § 5.2.2
Concreet
Het lokaal waar het toestel van het type C, een gesloten toestel, staat, is te klein voor zijn vermogen: de verhouding tussen vermogen en volume van de ruimte bedraagt 35 of meer. De extra boven- en onderverluchting die dan vereist is, ontbrak of was onvoldoende.
Het risico
Zonder die verluchting hoopt de warmte van het toestel zich op in de kleine ruimte, die kan oververhitten, ten koste van het toestel en zijn omgeving.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dan een extra boven- en onderverluchting van elk 1 cm² per kW vermogen, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-134 Enkel toestellen van het type B11BS mogen worden aangesloten op een gemeenschappelijk afvoerkanaal en dit voor zover aan alle voorwaarden is voldaan uit NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 5.3.1.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel aangesloten is op een gemeenschappelijk afvoerkanaal, gedeeld met andere toestellen of woningen, zonder van het type B11BS te zijn of zonder dat aan alle voorwaarden van de norm voldaan is.
Het risico
Op een gemeenschappelijk kanaal kan een ongeschikt toestel terugslag van verbrandingsgassen veroorzaken bij u of bij de andere aangesloten bewoners, met gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 laat op een gemeenschappelijk afvoerkanaal enkel toestellen van het type B11BS toe, en alleen als aan alle voorwaarden die ze daarvoor stelt voldaan is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-135 Een afvoerkanaal geplaatst in een technische koker dient aan alle zijden afgeschermd te worden met een brandweerstand EL30, de koker zelf dient EL60 te zijn (NBN DTD 61-002 § 7.1.2.2
Concreet
Het afvoerkanaal loopt door een technische koker zonder de vereiste brandbescherming, voor het kanaal zelf of voor de koker.
Het risico
Bij brand kan een onbeschermde technische koker vuur en rook snel van de ene verdieping naar de andere verspreiden.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat een afvoerkanaal in een technische koker aan alle zijden afgeschermd is met een brandweerstand EI30, en dat de koker zelf EI60 is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-136 Het afvoerkanaal in een technische koker samen met : water- en - afvoerleidingen, elektriciteitskabels, gasleidingen enz.; zijn niet toegestaan, het afvoerkanaal dient aan alle zijden afgeschermd te worden met een brandweerstand EL30(NBN DTD 61-002 § 7.1.2.2
Concreet
Het afvoerkanaal loopt door een technische koker die het deelt met andere installaties, zoals water- en afvoerleidingen, elektriciteitskabels of gasleidingen, zonder er aan alle zijden van gescheiden te zijn door een brandwerende afscherming.
Het risico
Zonder brandwerende afscherming kan de warmte van het kanaal of een beginnende brand de naburige kabels en leidingen beschadigen, ook gasleidingen, en het vuur door het gebouw verspreiden.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 laat een afvoerkanaal in een technische koker die gedeeld wordt met andere installaties enkel toe als het aan alle zijden afgeschermd is met een brandweerstand EI30.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-137 Het Kunstof afvoerkanaal behoord niet tot de temperatuursklasse T120, voldoet niet aan de norm NBN EN 1443 of draagt geen CE markering (NBN DTD 61- 002 § 7.1.2.2.3)
Concreet
Het kunststof afvoerkanaal voldoet niet aan minstens één van de vereiste voorwaarden: temperatuurklasse T120, conformiteit met de norm NBN EN 1443 en CE-markering.
Het risico
Is het kanaal niet gecertificeerd, dan kan het vervormen of smelten door de warmte van de rookgassen, met rookgaslekken in de woning en gevaar voor koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat een kunststof afvoerkanaal tot de temperatuurklasse T120 behoort, voldoet aan de norm NBN EN 1443 en een CE-markering draagt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-139 de overgang van een metalen- naar kunststof afvoerkanaal moet steeds binnen de kokerruimte worden verwezenlijkt; bij een kunststof aansluitkanalen moet deze concentrisch omhuld te worden door een metalen kanaal tot binnen de koker. (NBN DTD 61-002 § 7.1.2.2.3)
Concreet
Bij de keuring lag de overgang tussen het metalen en het kunststof deel van het afvoerkanaal niet binnen de koker, of was het kunststof aansluitkanaal niet tot in de koker omhuld door een metalen kanaal.
Het risico
Buiten de koker is een kunststof deel minder goed beschermd tegen hitte en brand, en kunnen verbrandingsgassen in de woning terechtkomen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat de overgang van metaal naar kunststof binnen de koker gebeurt, en dat een kunststof aansluitkanaal tot binnen de koker concentrisch omhuld is door een metalen kanaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-141 De classificatie van het aansluit- of afvoerkanaal is onvoldoende of voldoet niet aan de normen NBN EN 1443 en NBN EN 1856-1(NBN DTD 61-002 § 7.2)
Concreet
Elk afvoerkanaal draagt een classificatie die aangeeft wat het aankan, zoals temperatuur, vocht of corrosie. Die van het geplaatste aansluit- of afvoerkanaal is onvoldoende, of voldoet niet aan de normen NBN EN 1443 en NBN EN 1856-1.
Het risico
Past de classificatie niet, dan kan het kanaal sneller verslijten dan voorzien, met risico op lekkende verbrandingsgassen in de woning of op opwarming van omliggende materialen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 vraagt dat het aansluit- en het afvoerkanaal een classificatie hebben die geschikt is voor het toestel en die voldoet aan de normen NBN EN 1443 en NBN EN 1856-1.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
Dichtheid & beproeving (1)
RGIG-038 De dichtheidsproef volgens NBN D 51-003:2010+A3:2025, art. 4.7.1, is niet geslaagd: de installatie is niet lekdicht.
Concreet
Bij de keuring is de dichtheidsproef, een proef onder druk die nagaat of de leidingen geen gas verliezen, niet geslaagd: de druk bleef niet stabiel, wat op een lek wijst.
Het risico
Ontsnappend gas kan zich in het gebouw ophopen, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de installatie lekdicht is en slaagt voor de dichtheidsproef die ze voorschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Documenten & schema's (1)
RGIG-037 Een isometrisch schema van de leidingen ontbreekt met daarop: de lengtes, diameters, type leidingdelen, toestellen(vermogen, debiet) en componenten. NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.3.5
Concreet
Bij de keuring kon het isometrisch schema van de installatie, een perspectieftekening van alle leidingen en toestellen, niet voorgelegd worden.
Het risico
Zonder dit document kan de inspecteur de installatie niet volledig controleren, onder meer de dimensionering van de leidingen.
Wat de regel vraagt
Volgens de norm NBN D 51-003 is een isometrisch schema van de leidingen nodig, met de lengtes, de diameters, het type leidingdelen, de toestellen met hun vermogen en debiet, en de componenten.
Bij wie terecht · De eigenaar, samen met de gasinstallateur die de werken uitvoerde.
Andere punten (2)
RGIG-038b De dichtheidsproef heeft geen voldoening geschonken: lekdebiet gelijk aan of groter dan 6 l/h (NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.7.1).
Concreet
De dichtheidsproef van de gasinstallatie toonde een lek, met een debiet gelijk aan of groter dan 6 liter per uur.
Het risico
Een lek van die omvang kan een explosieve atmosfeer vormen en houdt een brand- of ontploffingsgevaar in.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de installatie slaagt voor de dichtheidsproef voor ze gebruikt wordt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-038a De dichtheidsproef heeft geen voldoening geschonken: lekdebiet kleiner dan 6 l/h (NBN D 51-003:2010+A2:2021 § 4.7.1).
Concreet
De dichtheidsproef van de gasinstallatie toonde een lek, met een debiet kleiner dan 6 liter per uur.
Het risico
Ook een klein gaslek kan zich in een ruimte opstapelen en een brand- of ontploffingsgevaar veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de installatie dicht is en slaagt voor de dichtheidsproef.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Opmerkingen en informatie (26)
RGIG-023 Opmerking Keuring heeft enkel betrekking op de zichtbare en toegankelijke delen.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt de draagwijdte van de keuring: de inspecteur onderzocht enkel de zichtbare en toegankelijke delen van de installatie, niet de verborgen delen, bijvoorbeeld ingewerkte leidingen. Het is geen inbreuk.
RGIG-225 Opmerking Keuring heeft enkel betrekking op de zichtbare en toegankelijke delen.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt de draagwijdte van de keuring: de inspecteur onderzocht enkel de zichtbare en toegankelijke delen van de installatie, niet de verborgen delen, bijvoorbeeld ingewerkte leidingen. Het is geen inbreuk.
RGIG-001 Opmerking Geen inbreuken.
Concreet
Deze vermelding betekent dat de inspecteur tijdens de keuring geen enkele inbreuk heeft vastgesteld op de onderzochte delen van de installatie.
RGIG-025 Opmerking De uitmonding van de schouw was niet zichtbaar tijdens de controle
Concreet
Deze opmerking geeft aan dat de inspecteur de uitmonding van de schouw, de plaats waar de rookgassen buiten komen, niet kon zien. Dat punt kon dus niet gecontroleerd worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-002 Opmerking Het isometrisch schema en het conformiteitsverslag moeten verplicht in het dossier van de gasinstallatie bewaard worden. Wij kunnen niet uitsluiten dat er bij het indienen van het isometrisch schema nog andere inbreuken aan het licht komen.
Concreet
Het isometrisch schema en het conformiteitsverslag moeten in het dossier van de gasinstallatie bewaard worden. De opmerking waarschuwt ook dat het nazicht van het schema, zodra het bezorgd is, nog andere inbreuken aan het licht kan brengen.
RGIG-035 Opmerking Leidingen ingewerkt in muren en of ondervloer/plafonds waren niet zichtbaar/toegankelijk voor nazicht tijdens de controle.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt dat de leidingen die in muren, onder de chape of in plafonds ingewerkt zijn, tijdens het bezoek niet zichtbaar of toegankelijk waren. De inspecteur kon ze dus niet onderzoeken. Het is geen inbreuk.
RGIG-007 Opmerking Alle leidingen in ruimtelijke schikking 1, 2 en/of 3 zijn toegankelijk op het moment van de controle. Deze moeten steeds toegankelijk blijven.
Concreet
Tijdens de keuring waren alle leidingen in de ruimtelijke schikkingen 1, 2 of 3 van de norm toegankelijk. De opmerking herinnert eraan dat ze altijd toegankelijk moeten blijven. Het is geen inbreuk.
RGIG-027 Opmerking Tijdens de controle werd geen EAN-nummer meegegeven. Hierdoor kon geen ELGACERT-document worden opgemaakt.
Concreet
Het EAN-nummer, dat het aansluitpunt op het gasnet identificeert, werd tijdens de keuring niet meegedeeld. Daardoor kon het Elgacert-document niet opgemaakt worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-026 Opmerking De door de fabrikant aanbevolen autovulkaniserende wikkelband of thermokrimpkous is nog aan te brengen op elke PLT fitting. Dit is nodig om het indringen van vocht tussen de kunststof mantel en de roestvast stalen plooibare gegolfde buis te voorkomen en om het losmaken van de fitting door onbevoegden te vermijden.Indien dit niet gebeurt, bestaat de kans dat de distributienetbeheerder de gasteller niet in dienst zal nemen.
Concreet
Elke PLT-fitting moet nog de bescherming krijgen die de fabrikant voorziet. Die voorkomt dat vocht onder de mantel van de buis dringt en dat onbevoegden de fitting losmaken. Zonder die bescherming neemt de distributienetbeheerder de gasmeter mogelijk niet in dienst.
RGIG-030 Opmerking In het kader van dit onderzoek wordt uitsluitend het dichtheidsonderzoek in aanmerking genomen.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt de draagwijdte van de keuring: enkel de dichtheidsproef van de installatie werd in aanmerking genomen, niet de andere eisen van de norm. Het is geen inbreuk.
RGIG-028 Opmerking Elgacert rapport met isometrisch van de installatie is te voorzien en/of te vervolledigen.
Concreet
Het verslag voor Elgacert, het platform voor de gasconformiteitsattesten, moet nog bezorgd of vervolledigd worden, met het isometrisch schema van de installatie. Deze opmerking wijst op een verwacht document, niet op een gebrek aan de installatie.
RGIG-033 Opmerking Nazicht enkel op de uitbreiding/wijziging van de installatie, volgens isometrisch schema in bijlage.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt de draagwijdte van de keuring: enkel de uitbreiding of wijziging van de installatie, zoals weergegeven op het isometrisch schema in bijlage, werd gecontroleerd. Het is geen inbreuk.
RGIG-031 Opmerking De gasteller is nog niet geplaatst, de controle werd uitgevoerd vanaf het reeds voorziene T stuk ( zie foto in bijlage)
Concreet
Op het moment van de keuring was de gasmeter nog niet geplaatst. De inspecteur voerde de keuring daarom uit vanaf het reeds voorziene T-stuk, te zien op de foto in bijlage. Het is geen inbreuk.
RGIG-017 Opmerking Het isometrisch schema en het Cerga-formulier (model 710628) waren aanwezig op het moment van het controlebezoek en werden ter plaatse nagekeken. Deze moeten volledig ingevuld worden en opnieuw voorgelegd worden bij het volgende (her)keuringsbezoek.
Concreet
Het isometrisch schema en het formulier model 710628 waren aanwezig en werden ter plaatse nagekeken. Ze moeten nog volledig ingevuld en bij het volgende keuringsbezoek opnieuw voorgelegd worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-003 Opmerking De controle heeft enkel betrekking op de uitbreiding van de installatie.
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt de draagwijdte van de keuring: enkel de uitbreiding van de installatie werd gekeurd, niet de bestaande installatie. Het is geen inbreuk.
RGIG-068 Opmerking Bij PLT-buissysteem installaties moeten deinstructies van het PLT handboek, de instructies van de norm NBN EN 15266 en de “specifieke” instructies van de fabrikant van het systeem strikt gevolgd worden. NBN 51- 003:2010+A2:2021 Bijlage §3
Concreet
Deze opmerking herinnert eraan dat een installatie met PLT-buizen, plooibare gegolfde metalen buizen, strikt het PLT-handboek, de norm NBN EN 15266 en de specifieke instructies van de fabrikant van het systeem moet volgen. Het is geen inbreuk.
RGIG-018 Opmerking De gasinstallatie van de woningeenheid is niet toegankelijk voor de keuring!
Concreet
De gasinstallatie van de woning was niet toegankelijk bij het bezoek van de inspecteur en kon dus niet gekeurd worden. Het is geen inbreuk, maar de keuring kon niet plaatsvinden.
RGIG-042 Opmerking Dit digitale verslag vervangt het HAF1001NL-v6 document in het kader van Elgacert.
Concreet
Deze vermelding geeft aan dat dit digitale verslag het document HAF1001NL-v6 vervangt in het kader van Elgacert, het platform voor de gasconformiteitsattesten. Het is geen inbreuk.
RGIG-029 Opmerking Deze keuring is uitgevoerd op vraag van een Cerga-installateur die het dossier zelf op Elgacert zal registreren; er gebeurt dus geen Elgacert-registratie door het controleorganisme.
Concreet
De keuring werd aangevraagd door een gasinstallateur die het dossier zelf op Elgacert registreert, het platform voor de gasconformiteitsattesten. Die registratie maakt dus geen deel uit van deze keuring. Het is geen inbreuk.
RGIG-019 Opmerking De installatie moet aangepast worden volgens de regels van de normen. Bij een herkeuring moeten alle delen toegankelijk zijn.
Concreet
Deze opmerking herinnert eraan dat de installatie volgens de normen aangepast moet worden, en dat alle delen bij de volgende keuring toegankelijk moeten zijn. Het is geen bijkomende inbreuk.
RGIG-005 Opmerking Het tellerlokaal was niet toegankelijk op de dag van de controle.
Concreet
Het lokaal met de gasmeter was niet toegankelijk op de dag van de keuring. Wat zich daar bevindt, kon dus niet onderzocht worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-004 Opmerking De installatie is niet volledig toegankelijk voor de keuring. Niet alle lokalen en ruimtes zijn toegankelijk. De indienststelling van de installatie is nog niet mogelijk.
Concreet
Niet alle lokalen waren toegankelijk, zodat de installatie niet volledig gekeurd kon worden. De opmerking vermeldt ook dat de indienststelling van de installatie nog niet mogelijk is.
RGIG-006 Opmerking Er wordt aangeraden de distributienetbeheerder te contacteren om het gedeelte stroomafwaarts van de installatie in overeenstemming te brengen met de regels van goed vakmanschap.
Concreet
Deze opmerking vraagt om contact op te nemen met de distributienetbeheerder, zodat het bedoelde deel van de installatie in orde gebracht wordt volgens de regels van goed vakmanschap. Het is geen inbreuk.
RGIG-020 Opmerking • Het isometrisch schema en het Cerga-formulier (model 710628) waren aanwezig op het moment van de controle en werden ter plaatse nagekeken. Deze moeten volledig aangevuld worden en opnieuw voorgelegd worden bij de volgende (her)controle.
Concreet
Het isometrisch schema en het formulier model 710628 waren aanwezig en werden ter plaatse nagekeken. Ze moeten nog volledig aangevuld en bij de volgende keuring opnieuw voorgelegd worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-032 Opmerking Het toestel is nog niet omgebouwd naar propaan, na aanpassing dient de aangepaste kenplaat op het toestel aangebracht te worden
Concreet
Op het moment van de keuring was het toestel nog niet omgebouwd naar propaan. Na de aanpassing moet het aangepaste kenplaatje op het toestel aangebracht worden. Het is geen inbreuk.
RGIG-039 Opmerking De nieuwe installatie of uitbreiding kon niet getest worden op 150mBar, de leiding dient gespoeld te worden (bv stikstof)alvorens we de drukproef kunnen uitvoeren (NBN D 51- 003:2010+A2:2021 § 4.7.1)
Concreet
De drukproef op 150 mbar van de nieuwe installatie of de uitbreiding kon niet uitgevoerd worden. De leiding moet eerst gespoeld worden. Het is geen inbreuk, maar dat deel is nog niet beproefd.
Propaan en butaan
Meter, drukregeling & kranen (9)
RGIG-181 Elk toestel wordt voorafgegaan door een stopkraan dat zo dicht mogelijk bij het toestel geplaatst en is bereik- en bedienbaar NBN 51- 006 § 8.5.4.1
Concreet
Bij minstens één toestel ontbreekt de stopkraan die ervoor moet zitten, of staat ze te ver, is ze moeilijk bereikbaar of niet bedienbaar.
Het risico
Lekt het toestel of is er een probleem, dan moet het gas daar meteen afgesloten kunnen worden. Anders blijft het ontsnappen terwijl men een ander afsluitpunt zoekt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat elk toestel voorafgegaan wordt door een stopkraan, zo dicht mogelijk bij het toestel, bereikbaar en bedienbaar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-180 In afwachting van het aansluiten van een toestel, moet elke leiding eindigen op een stopkraan die degelijk wordt afgesloten met een metalen geschroefde stop of dop NBN 51-006 § 7.6
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een wachtleiding, die nog niet op een toestel is aangesloten, niet correct afgesloten is met een stopkraan en een metalen geschroefde stop of dop.
Het risico
Zonder stop of dop kan de kraan per vergissing geopend worden of licht lekken: het gas zou dan rechtstreeks in de ruimte stromen, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat elke wachtleiding eindigt op een stopkraan die afgesloten is met een metalen geschroefde stop of dop.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-146 Het effectief drukverlies gemeten tussen de uitlaatopening van de gasmeter en elk van de verbruikstoestellen, de stopkraan niet inbegrepen, mag 1 mbar nietoverschrijden. NBN 51.006 Bijlage C.2.1
Concreet
Het gemeten drukverlies tussen de uitgang van de gasmeter en minstens één toestel was groter dan 1 mbar. Het gas verliest te veel druk in de leiding voor het bij het toestel komt.
Het risico
Krijgt een toestel gas aan een te lage druk, dan kan het onstabiel werken en het gas in slechte omstandigheden verbranden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 beperkt het drukverlies tussen de uitgang van de gasmeter en elk toestel, de afsluitkraan niet inbegrepen, tot 1 mbar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-182 Een sectioneerkraan wordt voorzien bij het uitbreiden van een installatie ≥ 3m of naar een ander lokaal NBN 51-006 § 7.4
Concreet
Het leidingwerk werd met 3 m of meer uitgebreid, of doorgetrokken naar een ander lokaal, zonder sectioneerkraan op die uitbreiding.
Het risico
Zonder die kraan kan het nieuwe deel niet apart afgesloten worden: bij een lek of bij werken aan de uitbreiding moet de hele installatie zonder gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een sectioneerkraan bij elke uitbreiding van een installatie met 3 m of meer, of naar een ander lokaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-183 Een sectioneerkraan wordt voorzien net stroomopwaarts van iedere tussengasmeter NBN 51-006 § 7.4
Concreet
Er ontbreekt een sectioneerkraan net vóór een tussengasmeter, een meter die het verbruik van een deel van de installatie meet.
Het risico
Zonder die kraan kan de meter niet afgesloten worden voor onderhoud, vervanging of bij een lek: het gas moet dan verder stroomopwaarts afgesloten worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een sectioneerkraan net stroomopwaarts van elke tussengasmeter.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-184 Een sectioneerkraan wordt voorzien op oordeelkundig gekozen plaatsen van uitgebreide binneninstallaties, dit om de gastoevoer vanbelangrijke vertakkingen te kunnen onderbreken en op die manier het onderhoud, de interventie en het toezicht op de installatie te vergemakkelijken bv. aan de voet van een stijgkolom en aan de voet van een koker NBN 51-006 § 7.4
Concreet
In deze uitgebreide binneninstallatie ontbreken sectioneerkranen op sleutelplaatsen, zoals aan de voet van een stijgkolom of een koker, om het gas van een belangrijke vertakking af te sluiten.
Het risico
Zonder die kranen moet bij een lek of bij werken aan een deel van de installatie het gas van het geheel afgesloten worden, wat het beveiligen vertraagt en het onderhoud bemoeilijkt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt sectioneerkranen op oordeelkundig gekozen plaatsen van uitgebreide installaties, bijvoorbeeld aan de voet van een stijgkolom of een koker, om onderhoud, interventie en toezicht te vergemakkelijken.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-185 Een sectioneerkraan en T stuk wordt voorzien in de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding ondergronds of bovengronds het gebouw binnenkomt NBN 51-006 § 7.4
Concreet
In de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding het gebouw binnenkomt, ontbreekt de sectioneerkraan, het T-stuk of allebei.
Het risico
Zonder sectioneerkraan kan het gas van het gebouw in noodgeval niet snel afgesloten worden. Zonder T-stuk kan de dichtheid van de installatie niet correct gecontroleerd worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een sectioneerkraan en een T-stuk in de eerst bereikbare ruimte waar de gasleiding ondergronds of bovengronds het gebouw binnenkomt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-186 Een sectioneerkraan en T stuk wordt voorzien in de inkomende leiding van elke verblijfseenheid (bv. appartement) BN 51- 006 § 7.4
Concreet
Er ontbreekt een sectioneerkraan of een T-stuk op de leiding die een verblijfseenheid voedt, bijvoorbeeld een appartement.
Het risico
Zonder die onderdelen kan het gas van één woning niet apart afgesloten worden bij een lek of bij werken, en kan haar installatie niet afzonderlijk aan een dichtheidsproef onderworpen worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een sectioneerkraan en een T-stuk op de inkomende leiding van elke verblijfseenheid, bijvoorbeeld elk appartement.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-187 Een handmatig bediende sectioneerkraan wordt voorzien in de gastoevoer naar de stookplaats zodat de gastoevoer van buiten de stookplaats op een goed bereikbare plaats, op een afstand van maximum 20 m, zonder hulpmiddelen kan worden bediend in geval van nood NBN 51-006 § 7.4
Concreet
Bij de keuring kon de gastoevoer naar de stookplaats niet zoals voorzien van buiten het lokaal afgesloten worden: de handbediende sectioneerkraan ontbreekt of voldoet niet aan de voorwaarden van bereikbaarheid, afstand of bediening.
Het risico
Ontstaat er brand of een gaslek in de stookplaats, dan moet de gastoevoer afgesloten kunnen worden zonder het lokaal te betreden. Zonder die kraan loopt het beveiligen vertraging op.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een handbediende sectioneerkraan waarmee de gastoevoer naar de stookplaats van buitenaf afgesloten kan worden, op een goed bereikbare plaats, op maximaal 20 m en zonder hulpmiddelen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Leidingen & verbindingen (41)
RGIG-176 Bij elke doorgang van een gasleiding door een muur of vloer wordt deze leiding beschermd door een afzonderlijke mantelbuis. De ruimte tussen de leiding en de mantelbuis wordt aan één zijde van de mantelbuis opgevuld met een niet-corrosief materiaal dat voldoende plastisch is om de gas- en waterdichtheid te verzekeren NBN 51-006 § 9.5
Concreet
Minstens één doorgang door een muur of vloer voldoet niet aan de regel: de leiding zit niet in een afzonderlijke mantelbuis, of de ruimte tussen leiding en mantelbuis is aan één zijde niet dicht opgevuld.
Het risico
Zonder mantelbuis kan de leiding op een onzichtbare plaats beschadigd raken door bewegingen van het gebouw of door vocht. Zonder opvulling kan gas of water langs de doorgang lopen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een afzonderlijke mantelbuis bij elke doorgang door een muur of vloer, met de ruimte rond de leiding aan één zijde opgevuld met een niet-corrosief, plastisch materiaal dat gas- en waterdicht is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-174 Indien verwarring mogelijk is, hetzij tussen verschillende leidingen, hetzij over de aard van het doorstromende fluïdum, moeten de gasleidingen worden geïdentificeerd door een markering in gele kleur. NBN 51.006 § 9.7
Concreet
Op plaatsen waar de gasleiding verward kan worden met andere leidingen, of waar onduidelijk is welk fluïdum erdoor stroomt, ontbreekt de gele markering die de gasleiding aanduidt.
Het risico
Bij latere werken zou iemand de gasleiding voor een andere leiding kunnen aanzien en ze doorzagen of doorboren, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat gasleidingen met een gele markering aangeduid zijn wanneer verwarring mogelijk is tussen leidingen of over het fluïdum dat erdoor stroomt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-149 Niet RHT componenten (650°C) dienen: - ofwel te plaatsen in een kast met een max volume van 0,2m3 met wanden EL30. – ofwel in een gecompartimenteerde ruimte te plaatsen met wanden EL 120 en deuren EL 60 – ofwel te beschermen door een thermische beveiligingsklep (TAS) die stroomopwaarts zit nabij het niet RHT component – ofwel na de stopkraan te plaatsen - ofwel buiten het gebouw te plaatsen NBN51-006 §5.7
Concreet
Minstens één onderdeel is niet bestand tegen een temperatuur van 650 °C, het is niet RHT, en het geniet geen van de beschermingen of plaatsingen die de norm daarvoor voorziet.
Het risico
Bij brand kan zo'n onderdeel het begeven en gas vrijgeven, wat het vuur aanwakkert en een ontploffing kan veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat een niet-RHT-onderdeel in een kast EI30 van maximaal 0,2 m³ zit, in een ruimte EI120 met deuren EI60, na de stopkraan of buiten, of beschermd is door een thermische beveiligingsklep.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-172 De afstand tussen elke gasbuis of tussen een gasbuis en elke andere leiding of kabel moet minstens 4 cm zijn NBN51-006 § 7.3
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een gasbuis op minder dan 4 cm loopt van een andere leiding, voor water, verwarming of gas, of van een kabel.
Het risico
Leidingen die te dicht bij elkaar liggen, kunnen elkaar raken, doen slijten of aantasten, en maken elke ingreep aan de naburige leiding riskant voor de gasbuis.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt minstens 4 cm tussen gasbuizen onderling, en tussen een gasbuis en elke andere leiding of kabel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-168 Er moeten bevestigingsbeugels worden geplaatst ter hoogte van elke afsluitkraan, elke bocht of T- stuk, de maximale afstanden dienen gerespecteerd worden volgens NBN 51-006 § 7.
Concreet
Er ontbreken bevestigingsbeugels ter hoogte van afsluitkranen, bochten of T-stukken, of de afstand tussen twee beugels overschrijdt de maximale afstanden uit de norm.
Het risico
Slecht ondersteund kan een leiding bewegen of doorhangen, waardoor de verbindingen onder spanning komen en er mettertijd een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt bevestigingsbeugels ter hoogte van elke afsluitkraan, elke bocht en elk T-stuk, en het respect van de maximale afstanden tussen beugels.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-156 Het installatieleidingwerk boven de grond moet worden verbonden met de equipotentiaalverbinding van het gebouw in overeenstemming met het AREI. NBN 51-006 § 7.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het gasleidingwerk boven de grond niet, of niet correct, verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw die het AREI voorschrijft.
Het risico
Zonder die verbinding kan de metalen leiding bij een elektrisch defect onder spanning komen te staan, met risico op elektrisering bij aanraking of op een vonk in de buurt van het gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat het leidingwerk boven de grond verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw, volgens het AREI.
Bij wie terecht · Een elektricien.
RGIG-148 Het geheel van de elementen van de binnenleiding (de leidingen, de hulpstukken en de verbindingen, de stopkraan inbegrepen) moet binnen in een gebouw bestand zijn tegen hoge temperatuur (type RHT) NBN51-006 § 5.7
Concreet
Binnen in het gebouw is een deel van de elementen van de binnenleiding, buizen, hulpstukken, verbindingen of de stopkraan, niet bestand tegen hoge temperatuur zoals het type RHT vereist.
Het risico
Bij brand kan een onderdeel dat niet hittebestendig is het begeven en gas vrijgeven, wat het vuur aanwakkert en een ontploffing kan veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat binnen een gebouw alle elementen van de binnenleiding, de stopkraan inbegrepen, bestand zijn tegen hoge temperatuur, dus van het type RHT zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-150 De gebruikte mechanische verbindingen in de niet verluchte holle ruimte of technische schacht zijn niet toegestaan NBN51- 006 § 8.2.4
Concreet
Bij de keuring trof de inspecteur mechanische verbindingen aan, geschroefde of klemkoppelingen, in een niet-verluchte holle ruimte of in een technische schacht.
Het risico
Daar zou een klein lek onopgemerkt blijven en kan het gas zich in de gesloten ruimte ophopen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt mechanische verbindingen in een niet-verluchte holle ruimte of in een technische schacht.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-151 Het gebruik van koppelingen in een bereikbaar, niet verluchte verticale schacht zijn niet toegestaan. NBN51-006 §8.2.4
Concreet
Er zitten koppelingen in een bereikbare maar niet-verluchte verticale schacht, waar een eventueel lek niet weg kan.
Het risico
Lekt een koppeling, dan hoopt het gas zich onopgemerkt op in de schacht, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt koppelingen in een bereikbare, niet-verluchte verticale schacht.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-152 In een holle ruimte (vals plafond, verticale wand, omkasting,toegankelijkekruipruimte) zijn enkel las- en harsoldeer verbindingen toegestaan. NBN 51006 §8.2.4
Concreet
In een holle ruimte, zoals een vals plafond, een verticale wand, een omkasting of een toegankelijke kruipruimte, stelde de inspecteur een verbinding vast die niet gelast of hardgesoldeerd is, bijvoorbeeld een schroefkoppeling.
Het risico
Is de verbinding niet gelast, dan kan ze mettertijd lekken, en in een holle ruimte zou het gas zich onopgemerkt ophopen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat in een holle ruimte enkel las- en hardsoldeerverbindingen toe.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-153 De gebruikte mechanische verbindingen ingewerkt in de muur of ondervloer zijn niet toegestaan NBN 51006 §8.2.6
Concreet
Mechanische verbindingen, geschroefde of klemkoppelingen, zijn ingewerkt in de muur of de ondervloer. Zo'n ingewerkte verbinding kan niet meer geïnspecteerd worden en een lek zou er onzichtbaar blijven.
Het risico
Aan een ingewerkte verbinding zou een lek onopgemerkt blijven, en het gas kan door de constructie migreren en zich ophopen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt mechanische verbindingen die in de muur of de ondervloer ingewerkt zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-154 De geplaatste Koperen of PLT leiding ingewerkt in de ondervloer zijn niet mechanisch beschermd door een stalen bescherming van 0,2 cm dik BN51-0036 §8.2.6
Concreet
In de ondervloer ligt een koperen of PLT-leiding, een plooibare gegolfde inoxbuis, zonder de vereiste stalen bescherming van 0,2 cm dik.
Het risico
Zonder die bescherming kan de leiding bij werken in de vloer doorboord worden, door boren, een nagel of slijpen, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat koperen of PLT-leidingen in de ondervloer mechanisch beschermd zijn door een stalen bescherming van 0,2 cm dik.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-155 Mechanische verbindingen op PLT-buissystemen dienen ten allen tijde verlucht en bereikbaar te zijn NBN51-006 §8.2 + Bijlage H
Concreet
Minstens één mechanische verbinding van het PLT-leidingwerk is niet bereikbaar of zit op een niet-verluchte plaats, bijvoorbeeld omdat ze verborgen is.
Het risico
Aan een onbereikbare of niet-verluchte verbinding zou een lek niet opgemerkt en niet afgevoerd worden, waardoor het gas zich kan ophopen, met ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat mechanische verbindingen op PLT-buissystemen te allen tijde verlucht en bereikbaar zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-157 De equipotentiaal verbinding moet steeds op de PLT-fitting worden aangebracht NBN 51-006 bijlage H .3
Concreet
Op de PLT-leiding, een plooibare gegolfde inoxbuis, is de equipotentiaalverbinding niet op de PLT-fitting zelf aangebracht, zoals de norm vraagt.
Het risico
Omdat de wand van een PLT-buis dun is, kan ze beschadigd of doorboord raken als er elektrische stroom door loopt, met een gaslek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de equipotentiaalverbinding altijd op de PLT-fitting aangebracht wordt.
Bij wie terecht · Een elektricien of een gasinstallateur.
RGIG-158 Het buitengedeelte van de stijgleiding is elektrisch geïsoleerd van het ingegraven gedeelte. De bevestigingsbeugels zijn elektrisch geïsoleerd van de buis. NBN51-006 §7.1 +9.1
Concreet
Op de stijgleiding buiten, de leiding die langs het gebouw omhoog loopt, ontbreekt de vereiste elektrische scheiding: met het ingegraven gedeelte, of tussen de buis en haar bevestigingsbeugels.
Het risico
Zonder die isolatie kunnen zwerfstromen naar het ingegraven gedeelte vloeien en daar de corrosie versnellen, waardoor de leiding op termijn kan doorroesten en lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat het buitengedeelte van de stijgleiding elektrisch geïsoleerd is van het ingegraven gedeelte, en dat de bevestigingsbeugels elektrisch geïsoleerd zijn van de buis.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-159 Leidingwerk mag geen metallisch contact maken met ander leidingwerk of kabels ter voorkoming van galvanische corrosie, met uitzondering van equipotentiaalverbindingen. NBN51-006 § 7.1 +9.1
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het gasleidingwerk metallisch contact maakt met ander leidingwerk of met kabels. Zo'n contact tussen metalen werkt galvanische corrosie in de hand, die het metaal geleidelijk aantast.
Het risico
Op termijn kan die corrosie de leiding doorboren en een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt elk metallisch contact tussen het gasleidingwerk en ander leidingwerk of kabels, met uitzondering van de equipotentiaalverbindingen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-160 De leidingen en of verbindingen zijn niet correct beschermd tegen corrosie in functie van de ruimtelijke schikking en de corrosiviteit van het milieu. NBN 51-006 § 9.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat leidingen of verbindingen onvoldoende beschermd zijn tegen corrosie, rekening houdend met de plaats waar ze lopen en de corrosiviteit van de omgeving, bijvoorbeeld vocht.
Het risico
Aangetast door corrosie verzwakt een leiding mettertijd en kan ze uiteindelijk gaan lekken, met risico op brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een bescherming tegen corrosie die past bij de ligging van de leidingen en verbindingen en bij de corrosiviteit van de omgeving.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-161 Leidingen ingewerkt in de muur of vloer zijn niet voorzien van een vanuit de fabriek vooziene bekleding of een in artikel 9.2 omschreven alternatief. NBN 51-006 § 8.2.6
Concreet
Leidingen die in de muur of de vloer zijn ingewerkt, hebben geen bekleding vanuit de fabriek en ook geen door de norm toegelaten alternatief.
Het risico
Onbeschermd en ingewerkt kan de leiding ongemerkt corroderen, en een gaslek in de muur of vloer kan lange tijd onopgemerkt blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat leidingen die in de muur of vloer ingewerkt zijn, een fabrieksbekleding hebben of een gelijkwaardige bescherming die de norm beschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-162 Verwijderde of beschadigde vanuit de fabriek aangebrachte bekleding moet bekleed worden zoals omschreven in NBN51-006 § 9.2.3
Concreet
Op bepaalde plaatsen werd de bekleding die vanuit de fabriek op de leiding is aangebracht verwijderd of beschadigd, bijvoorbeeld bij het maken van een verbinding, en niet opnieuw aangebracht.
Het risico
Corrosie slaat net toe op de blootliggende plekken, waardoor de leiding daar kan verzwakken en op termijn een gaslek kan ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat een verwijderde of beschadigde fabrieksbekleding opnieuw aangebracht wordt volgens haar voorschriften.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-163 Koperen leidingen in vochtige ruimtes / verluchte holle ruimte / technische schacht of bovengronds buiten dienen vanuit de fabriek bekleed te zijn of zijn te voorzien van een verfsysteem NBN 51.006 § 9.2.2
Concreet
Koperen leidingen in een vochtige ruimte, een verluchte holle ruimte, een technische schacht of bovengronds buiten zijn niet vanuit de fabriek bekleed en hebben ook geen verfsysteem. Op die plaatsen vraagt de norm die bescherming, ook voor koper.
Het risico
Ook koper wordt in een vochtige of blootgestelde omgeving langzaam aangetast. Op termijn kan de leiding verzwakken en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat koperen leidingen op die plaatsen vanuit de fabriek bekleed zijn of voorzien zijn van een verfsysteem.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-164 Koolstofstalen leidingen in vochtige ruimtes / verluchte holle ruimte / technische schacht of bovengronds buiten dienen beschermd te worden tegen corrosie volgens de voorschriften in NBN51-006 § 9.2.2
Concreet
Koolstofstalen leidingen in een vochtige ruimte, een verluchte holle ruimte, een technische schacht of bovengronds buiten zijn niet tegen corrosie beschermd zoals de norm het voorschrijft.
Het risico
Door roest verliest een stalen leiding geleidelijk aan wanddikte en kan ze uiteindelijk gaan lekken, met risico op brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat koolstofstalen leidingen op die plaatsen beschermd zijn tegen corrosie volgens haar voorschriften.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-165 Het bevestigen van vreemde leidingen of kabels aan gasleidingen is verboden. NBN 51-006 § 7.1 + 7.3
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat vreemde leidingen of kabels, bijvoorbeeld voor water of elektriciteit, rechtstreeks aan de gasleidingen bevestigd zijn.
Het risico
Het gewicht en de trillingen van vreemde elementen kunnen de gasleiding beschadigen of de verbindingen doen loskomen, met op termijn een lek tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt vreemde leidingen of kabels aan gasleidingen te bevestigen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-166 zichtbare horizontale leidingen bevinden zich op minstens 5 cm boven het peil van de afgewerkte vloer.
Concreet
Zichtbare horizontale leidingen lopen op minder dan 5 cm boven de afgewerkte vloer.
Het risico
Te dicht bij de vloer staat de leiding bloot aan stoten, bij het poetsen of het verplaatsen van voorwerpen, en aan vocht, waardoor ze beschadigd of aangetast kan raken en kan lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat zichtbare horizontale leidingen op minstens 5 cm boven het peil van de afgewerkte vloer liggen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-167 De beugels mogen de weerstand tegen hoge temperatuur (RHT) van het leidingwerk niet nadelig beïnvloeden. Daarom mogen enkel beugels uit koper of koperlegering, koolstofstaal, verzinkt staal of roestvast staal worden toegepast. NBN 51-006 § 7.1
Concreet
Het leidingwerk wordt gedragen door beugels uit een niet-toegelaten materiaal, terwijl ze net als de leiding bestand moeten zijn tegen hoge temperatuur, de zogenaamde RHT-weerstand.
Het risico
Bij brand begeven ongeschikte beugels, bijvoorbeeld uit kunststof, het snel: de leiding kan dan doorbuigen of breken en het vuur van gas voorzien.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat enkel beugels toe uit koper of koperlegering, koolstofstaal, verzinkt staal of roestvast staal, zodat de weerstand van het leidingwerk tegen hoge temperatuur behouden blijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-169 Leidingen dienen elektrisch geïsoleerd te zijn van hun bevestigingsbeugels indien deze van een ander metaal vervaardigd zijn. NBN 1-006 § 7.1
Concreet
Gasleidingen raken rechtstreeks bevestigingsbeugels uit een ander metaal, zonder elektrische isolatie ertussen.
Het risico
Contact tussen twee verschillende metalen veroorzaakt zogenaamde galvanische corrosie: de leiding wordt op het contactpunt aangetast en kan uiteindelijk gaan lekken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat leidingen elektrisch geïsoleerd zijn van hun bevestigingsbeugels wanneer die uit een ander metaal zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-170 Enkel PLT-buizen die op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen zijn geplaatst, mogen bevestigd worden met kunststof beugels of strips. NBN 51-006 bijlage H .2
Concreet
PLT-buizen, plooibare gegolfde gasleidingen, zijn met kunststof beugels of strips bevestigd op een plaats waar dat niet toegelaten is.
Het risico
Vooral bij warmte kunnen kunststof bevestigingen vervormen of het begeven: de buis verliest dan haar steun, wat tot een gaslek kan leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat kunststof beugels of strips enkel toe voor PLT-buizen op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-171 Bij PLT-buissysteem installaties moeten de instructies van het PLT handboek, de instructies van de norm NBN EN 15266 en de “specifieke” instructies van de fabrikant van het systeem strikt gevolgd worden. NBN 51+-006 Bijlage H .3
Concreet
Het PLT-buissysteem, met plooibare gegolfde metalen buizen, is niet strikt geplaatst volgens het PLT-handboek, de norm NBN EN 15266 en de specifieke instructies van de fabrikant van het systeem.
Het risico
Slecht gemonteerd garandeert een PLT-systeem noch de dichtheid noch de stevigheid op termijn, en kan er een gaslek ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat installaties met PLT-buizen strikt het PLT-handboek, de norm NBN EN 15266 en de specifieke instructies van de fabrikant van het systeem volgen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-173 In een laag gasbuizen bevindt de verst verwijderde gasbuis zich op maximum 50 cm van de bereikbare rand van deze laag NBN 51-006 §7.3
Concreet
In een laag gasbuizen die naast elkaar liggen, bevindt minstens één buis zich op meer dan 50 cm van de bereikbare rand.
Het risico
Buiten bereik kan een buis niet behoorlijk geïnspecteerd of onderhouden worden: beginnende corrosie of een lek zou onopgemerkt kunnen blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat in een laag gasbuizen de verst verwijderde buis op maximaal 50 cm van de bereikbare rand ligt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-175 De aanduiding van de verdieping en de betrokken verblijfseenheid moet worden aangebracht bij het verbinden van de gasmeter met de binnenleiding van die verblijfseenheid en dit op de gasbuis stroomafwaarts op maximum 50 cm na de gasmeter en op een duidelijke ondubbelzinnige en onuitwisbare wijze. Bijvoorbeeld door het aanbrengen van het door de gemeente toegekende busnummer van de verblijfseenheid.
Concreet
In dit gebouw met meerdere verblijfseenheden draagt de leiding na de gasmeter, binnen de 50 cm, geen duidelijke en onuitwisbare aanduiding van de verdieping en de verblijfseenheid die ze bedient.
Het risico
Zonder die aanduiding is niet zeker welke leiding bij welke woning hoort, en zou men de verkeerde leiding kunnen afsluiten of eraan werken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de verdieping en de verblijfseenheid duidelijk en onuitwisbaar aangeduid zijn op de buis, op maximaal 50 cm na de gasmeter, bijvoorbeeld met het busnummer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-177 Aan de bovenzijde van dedoorgang van een aan vochtigheid blootgestelde vloer (water voor de schoonmaak) steekt de mantelbuis minstens 5 cm boven de vloer uit. NBN 51-006 § 9.
Concreet
Waar de gasleiding door een vloer gaat die nat kan worden, bijvoorbeeld bij het schoonmaken met water, steekt de mantelbuis niet minstens 5 cm boven de vloer uit.
Het risico
Komt de mantelbuis gelijk met de vloer, dan kan water tussen leiding en mantelbuis sijpelen en de leiding op een onzichtbare plaats aantasten, wat op termijn tot een gaslek kan leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de mantelbuis bij de doorgang door een vloer die aan vocht blootgesteld is, minstens 5 cm boven de vloer uitsteekt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-179 Een T-stuk is te plaatsen : Stroomafwaarts van de installatie geplaatst buiten een gebouw, in de eerst bereikbare ruimte binnen het gebouw waar de binnenkomende gasleiding door loopt NBN 51-006 § 7.4
Concreet
Er ontbreekt een T-stuk in de eerst bereikbare ruimte waar de leiding van buiten het gebouw binnenkomt. Dat T-stuk dient als controlepunt, onder meer voor de dichtheidsproef.
Het risico
Zonder dit T-stuk kunnen de dichtheidsproef en het onderhoud van de installatie niet correct uitgevoerd worden, en worden latere interventies bemoeilijkt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een T-stuk stroomafwaarts van het deel van de installatie buiten het gebouw, in de eerst bereikbare ruimte waar de binnenkomende leiding door loopt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-194 De ingraafdiepte van leidingen buiten een gebouw, gemeten tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld, bedraagt ten minste 60 cm. NBN51-006 § 8.3.1.1
Concreet
Buiten het gebouw ligt de ingegraven gasleiding op minder dan 60 cm diepte, gemeten tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld.
Het risico
Ligt de leiding te ondiep, dan kan ze beschadigd raken door tuinwerken, een paaltje of zware lasten, en een ondergronds lek is moeilijk op te merken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een ingraafdiepte van minstens 60 cm tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld voor leidingen die buiten een gebouw ingegraven zijn.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-195 Wanneer de minimale ingraafdiepte van leidingen buiten een gebouw niet kan worden nageleefd dient de leiding zo diep mogelijk geplaatst te worden - Boven de leiding moet over de hele lengte waarop de leiding onvoldoende diep ligt kunststof of metalen beschermingsplaten geplaatst te worden. NBN51-006 § 8.3.1.1
Concreet
De ingegraven buitenleiding haalt de minimale ingraafdiepte niet, en de kunststof of metalen beschermingsplaten die dan vereist zijn, ontbreken boven het te ondiepe deel.
Het risico
Zonder beschermingsplaten kan één spadesteek of graafwerk de leiding doorboren en een gaslek veroorzaken.
Wat de regel vraagt
Kan de minimale ingraafdiepte niet gehaald worden, dan vraagt de norm NBN D 51-006 dat de leiding zo diep mogelijk ligt en over de hele betrokken lengte afgedekt is met beschermingsplaten.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-196 De sleufbodem van leidingen buiten een gebouw moet verwezenlijkt worden op een grondsoort die vrij is van steenslag, corrosieve of snijdende materialen. Deze dient opgevuld te worden met neutraal zand rond de leidingen. NBN51-006§ § 8.3.1.3
Concreet
Bij de keuring voldeed de sleuf van de ingegraven buitenleiding niet aan de regels: de sleufbodem bevat steenslag of corrosieve of snijdende materialen, of de leiding is niet omgeven door neutraal zand.
Het risico
Stenen of agressieve materialen tegen de buis kunnen die na verloop van tijd beschadigen of doen corroderen, met een onzichtbaar lek tot gevolg omdat de leiding ingegraven is.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een sleufbodem zonder steenslag of corrosieve of snijdende materialen, en neutraal zand rond de leidingen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-197 Op circa 20 cm boven de ingegraven leidingen buiten een gebouw moet een geel signalisatieband of -lint met aanduiding “gas-gaz” volgens NBNEN 12613 worden aangebracht, NBN51-006 § 8.3.1.5
Concreet
Het gele signalisatielint met de aanduiding gas-gaz, dat op circa 20 cm boven de ingegraven buitenleiding moet liggen, ontbreekt. Dat lint waarschuwt wie graaft dat er een gasleiding onder ligt.
Het risico
Zonder dat lint kunnen latere graafwerken de leiding raken zonder enige waarschuwing, met een gaslek als gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een geel signalisatieband of -lint met de aanduiding gas-gaz, volgens de norm NBN EN 12613, op circa 20 cm boven de ingegraven leidingen buiten het gebouw.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-198 De installaties met polyethyleen-buizen zijn slechts toegelaten voor de ingegraven gedeelten van een installatie buiten of onder het gebouw (van tank tot trapkast). § 8.3.1.7
Concreet
Er zijn polyethyleenbuizen, een kunststof, gebruikt voor een deel van de installatie dat niet ingegraven is.
Het risico
Bovengronds staat een kunststofbuis bloot aan stoten, weersinvloeden en vuur, waartegen ze niet bestand is. Beschadigd kan ze het gas uit de leiding laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat polyethyleenbuizen enkel toe voor de ingegraven delen van de installatie, buiten of onder het gebouw, van de tank tot de trapkast.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-199 Leidingen in koper en PLT dienen voorzien te zijn van een mechanische bescherming tot op een hoogte van -20cm à 40cm buiten het gebouw NBN 51.006 § 8.3.2
Concreet
Buiten het gebouw heeft de leiding in koper of PLT, een gegolfde roestvaststalen buis, niet de vereiste mechanische bescherming in de zone van 20 cm onder tot 40 cm boven het maaiveld.
Het risico
Vlak bij de grond staat de buis bloot aan stoten, bijvoorbeeld van een grasmaaier of gereedschap. Zonder bescherming kan ze daar geplet of doorboord worden en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat leidingen in koper en PLT buiten het gebouw mechanisch beschermd zijn van 20 cm onder het maaiveld tot 40 cm erboven.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-200 Knelfittings zijn slechts toegelaten voor koperen buizen en roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 28 mm en dienen geschikt te zijn voor GAS NBN 51.006 § 5.1.3.2.1
Concreet
Minstens één knelfitting voldoet niet aan de gebruiksvoorwaarden van dit type fitting: ze zit op een buis uit een ander materiaal of met een buitendiameter van meer dan 28 mm, of ze is niet geschikt voor gas.
Het risico
Is een knelfitting niet aangepast of zit ze op een te dikke buis, dan kan ze mettertijd loskomen of haar dichtheid verliezen en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat knelfittings enkel toe op koperen of roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 28 mm, en die fittings moeten geschikt zijn voor gas.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-201 Ppersfittings zijn slechts toegelaten voor koperen buizen en roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 54 mm en dienen geschikt te zijn voor GAS 51.006 § 5.1.3.2.1
Concreet
Minstens één persfitting voldoet niet aan de gebruiksvoorwaarden van dit type fitting: ze zit op een buis uit een ander materiaal of met een buitendiameter van meer dan 54 mm, of ze is niet geschikt voor gas.
Het risico
Is een persfitting niet voor gas bedoeld, dan kan ze haar dichtheid verliezen en gas laten ontsnappen, vaak zonder dat er iets te zien is.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat persfittings enkel toe op koperen of roestvast stalen buizen met een buitendiameter tot en met 54 mm, en die fittings moeten geschikt zijn voor gas.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-202 Tijdens het persen mag er zich geen abnormale pletting van de koperen of roestvast stalen buis voordoen. NBN 51.006 § 6.3.3
Concreet
Bij minstens één persfitting vertoont de koperen of roestvast stalen buis een abnormale pletting die bij het persen is ontstaan.
Het risico
Door de pletting is de buis verzwakt en is de dichtheid van de verbinding niet langer gegarandeerd, wat op die plaats tot een gaslek kan leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat er bij het persen geen abnormale pletting van de koperen of roestvast stalen buis ontstaat.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-204 De gebruikte onderdelen zijn niet geschikt voor gas installaties NBN 51.006 § 5.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat bepaalde onderdelen van de installatie, zoals buizen, fittings, kranen of toebehoren, niet geschikt zijn voor gas.
Het risico
Zo'n onderdeel biedt geen garantie op dichtheid of duurzaamheid: het kan aftakelen en gas laten ontsnappen, met brand- of ontploffingsgevaar tot gevolg.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat enkel materialen en onderdelen toe die geschikt zijn voor gasinstallaties.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Flexibels & toestelaansluitingen (6)
RGIG-188 Metalen slangen mogen niet ingewerkt worden in de muur of ondervloer NBN 51-006 § 7.7 + 8.2.
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een metalen slang ingewerkt is in de muur of in de ondervloer.
Het risico
Ingewerkt kan de slang niet meer geïnspecteerd of vervangen worden, en een lek kan onzichtbaar blijven terwijl het gas zich in de muur of vloer ophoopt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt metalen slangen in te werken in de muur of in de ondervloer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-189 metalen slangen mogen niet in serie staan NBN 51-006 § 7.7
Concreet
Meerdere metalen slangen zijn achter elkaar gekoppeld, in serie, om het toestel te bereiken.
Het risico
Elke extra koppeling tussen slangen is een mogelijk lekpunt, en een samenstel van meerdere slangen is mechanisch kwetsbaarder dan één enkele slang.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt metalen slangen in serie te plaatsen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-190 Metalen slangen mogen maximum 2m lang zijn. NBN 51-006 § 7.7
Concreet
Bij de keuring was de metalen slang die het toestel aansluit langer dan 2 meter.
Het risico
Hoe langer de slang, hoe meer ze blootstaat aan slijtage, beknelling en mechanische belasting, en hoe groter het risico op een gaslek na verloop van tijd.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 beperkt de lengte van een metalen slang tot 2 m.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-191 Een elastomeren slang (orange) mag enkel gebruikt worden voor de aansluiting van een komfoor NBN51-003 § 6.6.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een elastomeren slang, de oranje soepele slang, een ander toestel dan een komfoor aansluit.
Het risico
Op een ander toestel biedt deze slang niet de nodige garanties op sterkte en veroudering: ze kan aangetast raken en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 laat de elastomeren slang enkel toe voor de aansluiting van een komfoor.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-192 de elastomeren slang (orange) heeft zijn vervaldatum overschreden (max 5 jaar) NBN51-006 § 5.1.2.1.1
Concreet
Bij de keuring had de elastomeren slang, de oranje soepele slang die het toestel aansluit, haar vervaldatum overschreden. Dit type slang mag maximaal 5 jaar gebruikt worden, en de vervaldatum staat op de slang zelf.
Het risico
Met de jaren verhardt het elastomeer en kan het barsten: een vervallen slang kan gas laten ontsnappen vlak naast het toestel, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de elastomeren slang haar vervaldatum niet overschreden heeft, met een maximum van 5 jaar.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-193 Een stopkraan wordt stroomopwaarts van de slang gemonteerd op het vaste uiteinde van de binnenleiding NBN51- 006 §5.1.2.1.1
Concreet
Er ontbreekt een stopkraan net vóór de slang die het toestel voedt, op het vaste uiteinde van de binnenleiding.
Het risico
Zonder die stopkraan kan het gas niet snel afgesloten worden bij een lek aan de slang of bij de vervanging van het toestel, met brand- of ontploffingsgevaar.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een stopkraan stroomopwaarts van de slang, op het vaste uiteinde van de binnenleiding.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Gastoestellen (3)
RGIG-143 Elk geplaatst verbruikerstoestel dient een CE-keurmerk , een BE markering te hebben en dient van het type cat I3P ou II2E+3P NBN51- 006 § 12.2 / NBN DTD 61- 002 § 6.3
Concreet
Minstens één gastoestel draagt niet de CE-markering en de BE-markering, of behoort niet tot een categorie voor propaan, I3P of II2E+3P.
Het risico
Is het toestel niet gecertificeerd of niet geschikt voor propaan, dan kan het het gas slecht verbranden, met risico op koolstofmonoxidevergiftiging of brand.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat elk geplaatst toestel een CE- en een BE-markering draagt en van categorie I3P of II2E+3P is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-213 Toestellen van het type B mogen niet opgesteld worden in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC NBN 51-006 § 12.1 NBN DTD 61-002 § 4.1.1
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B, dat zijn verbrandingslucht haalt uit de ruimte waarin het staat, opgesteld is in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC.
Het risico
In die gesloten, vochtige of tijdens de slaap gebruikte ruimtes kan terugslag van rookgassen een koolstofmonoxidevergiftiging veroorzaken zonder dat de bewoners het merken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt een toestel van het type B op te stellen in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-214 De toestellen van het type B11 met CE- keurmerk moeten van het type B11AS, B11BS of B11CS zijn uitgezonderd de toestellen die in open lucht geïnstalleerd zijn NBN51-006 § 11.3.1.1.1
Concreet
Het toestel van het type B11 met CE-markering is geen uitvoering B11AS, B11BS of B11CS, dus geen uitvoering met een beveiliging die het toestel uitschakelt bij terugslag van de rookgassen.
Het risico
Zonder die beveiliging wordt terugslag van verbrandingsgassen niet opgemerkt en niet gestopt, wat tot koolstofmonoxidevergiftiging kan leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat een toestel van het type B11 met CE-markering van het type B11AS, B11BS of B11CS is, behalve als het in open lucht staat.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Ventilatie & rookgasafvoer (18)
RGIG-222 De uitmonding van het Type C toestel voldoet niet aan het “huisje in perspectief” . NBN 51- 006 § 11.3.3.1 + DTD 61.002
Concreet
Het toestel is van het type C, een gesloten toestel: het haalt zijn lucht buiten en blaast zijn rookgassen rechtstreeks naar buiten via een muur- of dakdoorvoer. De uitmonding voldoet niet aan de regel van het huisje in perspectief, die de afstanden tot ramen, luchtinnames en andere delen van het gebouw vastlegt.
Het risico
Verbrandingsgassen kunnen opnieuw het gebouw in gezogen worden via een raam, een verluchtingsopening of het toestel zelf, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de uitmonding van een toestel van het type C voldoet aan de regel van het huisje in perspectief, die de toegelaten plaatsen bepaalt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-207 De luchttoevoer van Type B1* toestel is niet conform of ontbreekt: Rechtstreeks naar buiten: 6cm2/kW / 1 doorstroomopeningen: 8cm2/kW / 2 doorstroomopeningen: 10cm2/kW en met een minimum grote van 50cm2 NBN51-006 § 11.2.1.4 + NBN DTD 61- 002 § 6.2
Concreet
Bij de keuring ontbrak de luchttoevoer van de ruimte waar het toestel van het type B1 staat, of was ze te klein. Dat toestel met trekonderbreker is aangesloten op een afvoerkanaal, maar haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte.
Het risico
Krijgt het toestel te weinig lucht, dan verloopt de verbranding onvolledig en kan er koolstofmonoxide ontstaan, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt 6 cm² per kW bij rechtstreekse toevoer van buiten, 8 cm² per kW via één doorstroomopening en 10 cm² per kW via twee, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-205 Een toevoeropening voor buitenlucht is voorzien in elke opstellingsruimte van een toestel met open verbrandingskring. Indien
Concreet
Het lokaal waar een toestel met open verbrandingskring staat, dat zijn verbrandingslucht uit de ruimte zelf haalt, heeft niet de vereiste toevoeropening voor buitenlucht, of die is niet conform.
Het risico
Zonder voldoende luchttoevoer verloopt de verbranding onvolledig en kan het toestel koolstofmonoxide produceren, een onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt een toevoeropening voor buitenlucht in elke opstellingsruimte van een toestel met open verbrandingskring.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-206 In elk nieuw gebouw waar een toestel met open verbrandingskring (type B) is opgesteld moet een toevoer van verbrandingslucht rechtstreeks vanuit de buitenlucht voorzien zijn. NBN 51006 111.2.1.2 + DTD 61-002 § 6.1
Concreet
In dit nieuwe gebouw krijgt het toestel van het type B, dat op een afvoerkanaal is aangesloten maar zijn verbrandingslucht uit de ruimte haalt, die lucht niet rechtstreeks van buiten.
Het risico
Nieuwe gebouwen zijn vaak zeer luchtdicht: zonder rechtstreekse luchttoevoer kan het toestel lucht tekortkomen, onvolledig verbranden en koolstofmonoxide produceren, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat een toestel van het type B in elk nieuw gebouw zijn verbrandingslucht rechtstreeks uit de buitenlucht krijgt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-208 De luchttoevoer van Type B2* toestel is niet conform of ontbreekt: Rechtstreeks naar buiten: 3cm2/kW / 1 doorstroomopeningen: 4cm2/kW / 2 doorstroomopeningen: 5cm2/kW en met een minimum grote van 50cm2 NBN 51-006 § 11.2.4.1 + NBN DTD 61- 002 § 6.2
Concreet
Bij de keuring ontbrak de luchttoevoer van de ruimte waar het toestel van het type B2 staat, of was ze te klein. Dat toestel zonder trekonderbreker is aangesloten op een afvoerkanaal, maar haalt zijn verbrandingslucht uit de ruimte.
Het risico
Krijgt het toestel te weinig lucht, dan verbrandt het onvolledig en kan het koolstofmonoxide produceren, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt 3 cm² per kW bij rechtstreekse toevoer van buiten, 4 cm² per kW via één doorstroomopening en 5 cm² per kW via twee, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-209 De luchttoevoeropeningen mogen niet afsluitbaar zijn .NBN51-006 § 11.2.1.1 + NBN DTD 61- 002 § 6.3
Concreet
Bij de keuring bleek dat de openingen die lucht naar de gastoestellen brengen, afgesloten kunnen worden, bijvoorbeeld met een regelbaar rooster, een klep of een luik.
Het risico
Sluit iemand de opening, bijvoorbeeld tegen de tocht, dan komt het toestel lucht tekort, verloopt de verbranding onvolledig en kan er koolstofmonoxide in de ruimte ontstaan.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de luchttoevoeropeningen niet afsluitbaar zijn, zodat de verbrandingslucht altijd kan binnenkomen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-210 De verbrandingslucht moet bij een verticaal luchttoevoerkanaal toegevoerd wordenonderaan het lokaal, de luchtiname op het dak dient voorzien te worden van een kruiskap in de statische overdrukzone 3 NBN 51.006 §11.2.1.3 + DTD 61.002
Concreet
Het toestel krijgt zijn verbrandingslucht via een verticaal kanaal dat niet voldoet aan de regels van de norm, voor de luchttoevoer in het lokaal of voor de luchtinname op het dak.
Het risico
Verstoort de wind de luchttoevoer, dan verbrandt het toestel slecht en kan het koolstofmonoxide vormen, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat die lucht onderaan het lokaal toekomt en dat de luchtinname op het dak, in de statische overdrukzone 3, voorzien is van een kruiskap.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-211 NBN DTD 61-002 : In een verticaal luchtaanvoerkanaal moet de verbrandingslucht langs de onderzijde van het gebouw worden aangezogen en de opening voor luchtinname moet gesitueerd zijn in een gevelvlak dat aangrenzend is met het dakvlak waarin het bijhorend afvoerkanaal van de verbrandingsproducten uitmondt. NBN 51.006 11.2.1.3 + NBN DTD 61- 002 § 6.3
Concreet
Het toestel krijgt zijn verbrandingslucht via een verticaal luchttoevoerkanaal, maar de luchtinname is niet geplaatst zoals de norm het voorschrijft.
Het risico
Verkeerd geplaatst staat de luchtinname bloot aan drukverschillen door de wind: het toestel kan lucht tekortkomen of zijn eigen rookgassen opnieuw aanzuigen, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de lucht van een verticaal luchttoevoerkanaal langs de onderzijde van het gebouw aangezogen wordt, via een opening in een gevelvlak dat grenst aan het dakvlak waarin het bijhorende afvoerkanaal uitmondt.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-212 Toestellen type B1 mogen niet opgesteld staan in ruimtes die voorzien zijn van mechanische ventilatie. NBN 51.006 § 11.2.2.3.1 DTD 61-002 § 5.3.1
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B1, een open toestel met natuurlijke trek dat zijn lucht uit de ruimte haalt en zijn rookgassen via een schouw afvoert, opgesteld staat in een ruimte met mechanische ventilatie.
Het risico
Mechanische afzuiging kan de trek omkeren en de verbrandingsgassen de ruimte in duwen, met risico op koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt een toestel van het type B1 op te stellen in een ruimte met mechanische ventilatie.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-215 Het is verboden toestellen van de typen B22(P) en B23(P) aan te sluiten op een gemeenschappelijk afvoerkanaal. NBN51- 006 § 3.1.1.1 / NBN DTD 61-002 7.6.2
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een toestel van het type B22(P) of B23(P), dat zijn rookgassen met een ingebouwde ventilator afvoert, aangesloten is op een gemeenschappelijk afvoerkanaal dat met andere toestellen gedeeld wordt.
Het risico
Verbrandingsgassen kunnen door de ventilator naar de andere aansluitingen geduwd worden en in andere ruimtes of woningen terechtkomen, met risico op koolstofmonoxidevergiftiging.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt toestellen van het type B22(P) of B23(P) aan te sluiten op een gemeenschappelijk afvoerkanaal.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-216 Het afvoerkanaal is niet lekdicht NBN51-006 § 11.3.1.1.4
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat het afvoerkanaal van de verbrandingsgassen van het toestel niet lekdicht is: er kunnen rookgassen ontsnappen voor ze buiten zijn.
Het risico
Verbrandingsgassen kunnen zich in de woning verspreiden, met risico op vergiftiging door koolstofmonoxide, een onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat het afvoerkanaal van de verbrandingsgassen lekdicht is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-217 Toestellen type B1 met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW hebben een aansluitkanaal met een verticaal gedeelte van minstens 50 cm. NBN51- 006§ 3.1.2.4.2 / NBN DTD 61-002 7.3.6
Concreet
Het aansluitkanaal van een toestel van het type B1 van minder dan 70 kW, de buis tussen het toestel en de schouw, heeft niet het vereiste verticale gedeelte van minstens 50 cm.
Het risico
Zonder dat verticale gedeelte komt de trek moeilijk op gang: de rookgassen kunnen blijven hangen of terugslaan in de ruimte, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat het aansluitkanaal van een toestel van het type B1 van minder dan 70 kW een verticaal gedeelte van minstens 50 cm heeft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-218 de totale lengte van het aansluitkanaal mag niet groter zijn dan één vierde van de trekhoogte van het afvoerkanaal. Indien deze trekhoogte kleiner dan 8 m is, mag de maximumlengte 2 m bedragen. NBN51-006 § 11.3.1.2.4.2/ NBN DTD 61-002 7.3.6
Concreet
Het aansluitkanaal, dat het toestel met de schouw verbindt, is te lang in verhouding tot de trekhoogte van het afvoerkanaal.
Het risico
Is het aansluitkanaal te lang, dan worden de rookgassen afgeremd en afgekoeld: de trek wordt onvoldoende en de verbrandingsgassen kunnen in de ruimte terugslaan, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 beperkt de totale lengte van het aansluitkanaal tot een vierde van de trekhoogte van het afvoerkanaal. Is die trekhoogte kleiner dan 8 m, dan blijft 2 m toegelaten.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-219 Toestel type B met natuurlijke trek : Geen enkel brandbaar materiaal mag onbeschermd gebruikt worden op minder dan 0,15 m van het losstaand afvoerkanaal. NBN51- 006 § 11.3.1.2.3
Concreet
Brandbaar materiaal, zoals hout of brandbare isolatie, bevindt zich onbeschermd op minder dan 0,15 m van het afvoerkanaal van een toestel van het type B met natuurlijke trek.
Het risico
Na verloop van tijd kan de warmte van het kanaal dat materiaal doen ontbranden en brand veroorzaken.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 verbiedt onbeschermd brandbaar materiaal op minder dan 0,15 m van het losstaande afvoerkanaal van een toestel van het type B met natuurlijke trek.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-220 Het verwijde uiteinde van de ineenschuifbare aansluitkanalen wordt steeds gericht in de zin van de afvoer van de verbrandingsgassen 51.006 § 11.3.1.2.1+NBN DTD 61-002 7.3.6.5.
Concreet
Ineenschuifbare aansluitkanalen bestaan uit elementen die in elkaar schuiven. Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat minstens één verwijd uiteinde niet in de richting van de rookgasafvoer wijst.
Het risico
Verkeerd om gemonteerd kunnen verbrandingsgassen of condensaat ontsnappen ter hoogte van de verbindingen, in de ruimte waar het toestel staat.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat het verwijde uiteinde van elk ineenschuifbaar element altijd gericht is in de zin van de afvoer van de verbrandingsgassen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-221 De uitmonding van het afvoerkanaal (type B) met natuurlijke trek moet steeds uitmonden in zone 1 of 2 . in zone 2 moet steeds een statische afvoerkap geplaatst worden NBN 51/006 § 11.3.1.1.6 + NBN DTD 61-002 § 7.4.7
Concreet
Bij een toestel van het type B met natuurlijke trek voldoet de uitmonding van het afvoerkanaal niet aan de dakzones uit de norm: ze ligt niet in zone 1 of 2, of ze ligt in zone 2 zonder statische afvoerkap, de kap die de trek bevordert.
Het risico
Slecht geplaatst staat de uitmonding bloot aan de wind: de trek wordt onregelmatig en de rookgassen kunnen terugslaan in de woning, met risico op koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat die uitmonding in zone 1 of zone 2 van het dak ligt, en dat ze in zone 2 altijd voorzien is van een statische afvoerkap.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
RGIG-223 De inhoud van de opstellingsruimte is te klein (toesstel type C) (PN/m3 ≥35) extra boven- en onderverluchting is te voorzien van elk 1cm2/kW en min. 50 cm2 NBN 51.006 § 11.2.2 + 61-002 § 5.2.2
Concreet
Het lokaal waar het toestel van het type C, een gesloten toestel, staat, is te klein voor zijn vermogen: de verhouding tussen vermogen en volume van de ruimte bedraagt 35 of meer. De extra boven- en onderverluchting die dan vereist is, ontbrak of was onvoldoende.
Het risico
Zonder die verluchting hoopt de warmte van het toestel zich op in de kleine ruimte, die kan oververhitten, ten koste van het toestel en zijn omgeving.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dan een extra boven- en onderverluchting van elk 1 cm² per kW vermogen, met een minimum van 50 cm².
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
RGIG-224 De schouw is niet afgewerkt of geplaatst NBN51-006
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat de schouw niet afgewerkt of nog niet geplaatst is. Het toestel heeft dus geen volledige afvoer van zijn rookgassen naar buiten.
Het risico
Zolang de schouw niet klaar is, kunnen de verbrandingsgassen niet correct afgevoerd worden, en het toestel gebruiken zou de bewoners blootstellen aan koolstofmonoxide.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de schouw van het toestel geplaatst en afgewerkt is, zodat de verbrandingsgassen naar buiten afgevoerd worden.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
Dichtheid & beproeving (1)
RGIG-145 De dichtheidsproef volgens NBN D 51-006, art. 10.2.2, is niet geslaagd: de installatie is niet lekdicht.
Concreet
Bij de keuring is de dichtheidsproef, een proef onder druk die nagaat of de leidingen geen gas laten ontsnappen, niet geslaagd: de installatie vertoont een lek.
Het risico
Propaan en butaan zijn zwaarder dan lucht: ontsnappend gas kan zich ophopen op lage punten en in gesloten ruimtes, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-006 vraagt dat de installatie lekdicht is en slaagt voor de dichtheidsproef die ze voorschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
Documenten & schema's (1)
RGIG-144 een isometrisch schema van de leidingen ontbreekt met daarop: de lengtes, diameters, type leidingdelen, toestellen(vermogen, debiet) en componenten. NBN 51-006 § 8.1.2
Concreet
Bij de keuring kon het isometrisch schema van de installatie, een perspectieftekening van alle leidingen en toestellen, niet voorgelegd worden.
Het risico
Zonder dit schema kan de inspecteur de installatie niet volledig controleren, vooral de dimensionering van de leidingen.
Wat de regel vraagt
Volgens de norm NBN D 51-006 is een isometrisch schema van de leidingen nodig, met de lengtes, de diameters, het type leidingdelen, de toestellen met hun vermogen en debiet, en de componenten.
Bij wie terecht · De eigenaar, samen met de gasinstallateur die de installatie uitvoerde.
Opmerkingen en informatie (1)
RGIG-147 Opmerking De gasteller/ trapkast is nog niet geplaatst, de gasleiding dient gemonteerd en afgewerkt te worden tot op de locatie waar de voeding dient te komen. (beugels, T stuk ) NBN51-006
Concreet
Op het moment van de keuring was de gasmeter of de trapkast nog niet geplaatst. De opmerking herinnert eraan dat de gasleiding gemonteerd en afgewerkt moet zijn, met beugels en T-stuk, tot de plaats waar de gastoevoer zal komen.
Alle gasinstallaties
Andere punten (17)
GAZ-001 Lekkage van de binneninstallatie: lek vastgesteld bij de dichtheidsproef met lucht/inert gas op 100 mbar (belvorming aan koppelingen, lassen, kranen of meter)
Concreet
Bij de dichtheidsproef met lucht of een inert gas op 100 mbar stelde de inspecteur een lek vast in de binneninstallatie, bijvoorbeeld belvorming aan een koppeling, een las, een kraan of de meter.
Het risico
Ontsnappend gas kan zich in het gebouw ophopen, met gevaar voor brand of ontploffing.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de binneninstallatie lekdicht is en slaagt voor de dichtheidsproef die ze voorschrijft.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-015 Isometrisch schema van de leidingen en toestellen ontbreekt, onvolledig of niet conform de uitgevoerde installatie
Concreet
Het isometrisch schema, de perspectieftekening van de leidingen en toestellen, ontbreekt, is onvolledig of stemt niet overeen met de uitgevoerde installatie.
Het risico
Zonder correct schema kan de installatie niet volledig gecontroleerd worden, onder meer de dimensionering van de leidingen, en missen latere ingrepen houvast.
Wat de regel vraagt
Volgens de norm NBN D 51-003 is een volledig isometrisch schema nodig van de leidingen en toestellen, dat overeenstemt met de uitgevoerde installatie.
Bij wie terecht · De gasinstallateur die de installatie uitvoerde.
GAZ-007 Aansluitslang niet conform, vervallen (houdbaarheidsdatum overschreden) of ongeschikt voor aardgas
Concreet
Bij de keuring was de aansluitslang van het toestel niet conform, vervallen of niet geschikt voor aardgas.
Het risico
Ongeschikt of verouderd kan een slang verharden, barsten of loskomen, en gas laten ontsnappen vlak naast het toestel.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een conforme aansluitslang, geschikt voor aardgas en gebruikt vóór haar vervaldatum.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-016 Conformiteitsattest (art. 48) ontbreekt, niet gedigitaliseerd via Elgacert (sinds 01/01/2024) of handleiding/technische documenten van de toestellen niet beschikbaar
Concreet
Bij de keuring werd het conformiteitsattest van de installatie niet voorgelegd of niet digitaal opgemaakt op het Elgacert-platform, of waren de handleidingen en technische documenten van de toestellen niet beschikbaar.
Het risico
Zonder geldig attest kan de distributienetbeheerder weigeren de meter te openen. Zonder handleidingen kunnen het gebruik en het onderhoud van de toestellen niet nagegaan worden.
Wat de regel vraagt
Volgens de veiligheidsreglementering voor de gasdistributie is een conformiteitsattest van de installatie nodig, digitaal opgemaakt op het Elgacert-platform. Ook de handleidingen en technische documenten van de toestellen moeten beschikbaar zijn.
Bij wie terecht · De gasinstallateur voor het attest, de eigenaar voor de handleidingen van de toestellen.
GAZ-006 Leidingen niet correct bevestigd (bevestigingsbeugels ontbreken of onvoldoende) of niet gemarkeerd (gele markering ontbreekt)
Concreet
Bij de keuring waren de gasleidingen niet correct bevestigd, door ontbrekende of te weinig beugels, of droegen ze niet de gele markering die ze aanduidt.
Het risico
Slecht bevestigd kan een leiding bewegen en de verbindingen belasten. Zonder markering kan ze voor een andere leiding aangezien en bij werken doorboord worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt dat de leidingen met voldoende beugels bevestigd zijn en met een gele markering aangeduid zijn waar verwarring met andere leidingen mogelijk is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-010 Gebrekkige, niet-dichte of ontbrekende afvoer van verbrandingsproducten (rookkanaal / schoorsteenaansluiting niet conform)
Concreet
Bij de keuring was de afvoer van de verbrandingsproducten van het toestel gebrekkig, niet dicht of onbestaand, bijvoorbeeld door een niet-conform rookkanaal of een niet-conforme schoorsteenaansluiting.
Het risico
Worden de rookgassen slecht afgevoerd, dan kunnen ze zich in de woning verspreiden, met gevaar voor vergiftiging door koolstofmonoxide, een onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 en de NBN/DTD B 61-002 en B 61-001 vragen een volledige, dichte en conforme afvoer van de verbrandingsproducten naar buiten.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
GAZ-012 Materialen of trekhoogte van het rookkanaal niet conform / condensaatafvoer ontbreekt of niet conform (condensatietoestel)
Concreet
Het rookkanaal is niet conform, door zijn materialen of zijn trekhoogte, of de condensaatafvoer van een condensatietoestel ontbreekt of is niet conform.
Het risico
Slecht aangepast kan het kanaal aftakelen of slecht trekken en de rookgassen laten terugslaan. Zonder correcte afvoer kan condensaat het kanaal of het toestel beschadigen.
Wat de regel vraagt
De NBN/DTD B 61-002 en B 61-001 vragen een rookkanaal uit geschikte materialen en met voldoende trekhoogte, en een conforme condensaatafvoer voor condensatietoestellen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of een schouwspecialist.
GAZ-005 Niet-conforme verbindingen (demonteerbare koppelingen verboden in niet-bereikbare zones, niet-conforme lassen/perskoppelingen/driedelige koppelingen)
Concreet
Bepaalde verbindingen van de leiding zijn niet conform: demonteerbare koppelingen in een niet-bereikbare zone, of niet-conforme lassen, persverbindingen of driedelige koppelingen.
Het risico
Slecht uitgevoerd of verborgen kan een verbinding haar dichtheid verliezen, en een lek in een niet-bereikbare zone zou onopgemerkt blijven.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 bepaalt de toegelaten verbindingswijzen, verbiedt demonteerbare koppelingen in niet-bereikbare zones en vraagt conforme lassen, persverbindingen en driedelige koppelingen.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-002 Algemene afsluitkraan (aan de meter / bij de ingang van de installatie) ontbreekt, niet bedienbaar of ontoegankelijk
Concreet
Bij de keuring ontbrak de algemene afsluitkraan, aan de meter of bij de ingang van de installatie, of was ze niet bedienbaar of niet bereikbaar.
Het risico
Ontstaat er een lek of brand, dan kan het gas van de hele installatie niet snel afgesloten worden, wat het beveiligen vertraagt.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een algemene afsluitkraan, aan de meter of bij de ingang van de installatie, die bereikbaar en bedienbaar is.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-003 Sectioneer-/toestelafsluitkraan ontbreekt of is ontoegankelijk stroomopwaarts van elk verbruikstoestel
Concreet
Bij minstens één toestel ontbreekt de stopkraan die er vlak voor moet zitten, of is ze niet bereikbaar.
Het risico
Lekt het toestel of is er een probleem, dan kan het gas daar niet afgesloten worden, wat het gevaar voor brand of ontploffing vergroot.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een bereikbare stopkraan stroomopwaarts van elk verbruikstoestel.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-004 Niet-conforme of verboden leidingmaterialen / ontbrekende corrosiebescherming of mechanische bescherming (niet-beschermde muurdoorvoeren)
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur een van deze gebreken vast: niet-conforme of verboden leidingmaterialen, ontbrekende corrosiebescherming, of ontbrekende mechanische bescherming, bijvoorbeeld bij een muurdoorvoer.
Het risico
Naargelang het geval kan de leiding corroderen, beschadigd raken of het begeven, en gas laten ontsnappen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt toegelaten leidingmaterialen, beschermd tegen corrosie en, waar nodig zoals bij muurdoorvoeren, mechanisch beschermd.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-008 Onvoldoende of ontbrekende verbrandingsluchttoevoer in de ruimte waar het toestel is opgesteld (onderste verluchtingssectie niet conform)
Concreet
In de ruimte waar het toestel staat, is de toevoer van verbrandingslucht onvoldoende of afwezig: de onderste verluchtingsopening ontbreekt of is te klein.
Het risico
Krijgt het toestel te weinig lucht, dan verbrandt het slecht en kan het koolstofmonoxide produceren, een giftig, onzichtbaar en geurloos gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 en de NBN/DTD B 61-002 en B 61-001 vragen een voldoende toevoer van verbrandingslucht in de opstellingsruimte, via een onderste verluchtingsopening met een conforme doorsnede.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-009 Bovenste verluchting (luchtafvoer) van de ruimte onvoldoende of ontbrekend
Concreet
Bovenaan de ruimte ontbreekt de luchtafvoer, de zogenaamde bovenste verluchting, of is ze te klein.
Het risico
Zonder voldoende bovenste verluchting wordt de lucht in de ruimte slecht ververst, kan de verbranding verslechteren en kunnen verbrandingsproducten zich opstapelen.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 en de NBN/DTD B 61-002 en B 61-001 vragen een bovenste verluchting van de ruimte, met een voldoende doorsnede ten opzichte van de luchttoevoer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-011 Toesteltype ongeschikt voor de ruimte: niet-hermetisch toestel (type A of aangesloten type B) geplaatst in een badkamer, doucheruimte of slaapkamer
Concreet
Bij de keuring stelde de inspecteur vast dat een niet-gesloten toestel, van het type A of een aangesloten toestel van het type B, opgesteld is in een badkamer, doucheruimte of slaapkamer.
Het risico
Zulke toestellen halen hun verbrandingslucht uit de ruimte: in een badkamer of slaapkamer kan een slechte verbranding tot koolstofmonoxidevergiftiging leiden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 verbiedt een toestel van het type A of een aangesloten toestel van het type B op te stellen in een badkamer, doucheruimte of slaapkamer.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-013 Equipotentiale verbinding / aarding van de gasleiding ontbreekt of niet conform
Concreet
Bovengronds is de gasleiding niet, of niet correct, verbonden met de equipotentiaalverbindingen van het gebouw. Ze mag nooit als aardelektrode dienen.
Het risico
Zonder die verbinding kan de leiding bij een elektrisch defect onder spanning komen te staan, met risico op elektrisering bij aanraking of op een vonk in de buurt van het gas.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt, met verwijzing naar het AREI, dat de bovengrondse gasleiding verbonden is met de equipotentiaalverbinding van het gebouw, zonder ooit als aardelektrode te dienen.
Bij wie terecht · Een elektricien.
GAZ-014 Gasmeter ontoegankelijk, niet verlucht of meetpunt voor de dichtheidsproef (T-stuk met dop) ontbreekt
Concreet
Bij de keuring was de gasmeter niet bereikbaar of niet verlucht, of ontbrak het meetpunt voor de dichtheidsproef, een T-stuk met dop.
Het risico
Zonder toegang of verluchting is een lek aan de meter moeilijk op te merken en af te sluiten. Zonder meetpunt kan de dichtheid van de installatie niet correct gecontroleerd worden.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 vraagt een bereikbare en verluchte gasmeter, en een meetpunt voor de dichtheidsproef, een T-stuk met dop.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur.
GAZ-017 Toepassing van een ongeschikte norm: gebruik van NBN D 51-003 terwijl druk > 100 mbar of diameter > DN 50 onder NBN D 51-004 valt
Concreet
Deze installatie valt onder de norm NBN D 51-004, die onder meer geldt voor een maximale bedrijfsdruk boven 100 mbar of een diameter boven DN 50, maar ze werd behandeld volgens de norm NBN D 51-003.
Het risico
Zulke drukken of diameters vallen buiten de eisen van de norm NBN D 51-003: de installatie biedt mogelijk niet de vereiste sterkte en veiligheid.
Wat de regel vraagt
De norm NBN D 51-003 geldt enkel voor installaties met een maximale bedrijfsdruk van ten hoogste 100 mbar en een diameter van ten hoogste DN 50. Daarboven geldt de norm NBN D 51-004.
Bij wie terecht · Een gasinstallateur of de ontwerper van de installatie.
Opmerkingen en informatie (4)
GAZ-R03 Opmerking Sinds 1 januari 2024 worden gasconformiteitsattesten uitsluitend digitaal aangemaakt via het Elgacert-platform (papieren attesten worden niet meer aanvaard door de DNB's).
Concreet
Deze opmerking herinnert eraan dat gasconformiteitsattesten voortaan uitsluitend digitaal opgemaakt worden, via het Elgacert-platform. De distributienetbeheerders aanvaarden geen papieren attesten meer. Het is geen inbreuk.
GAZ-R01 Opmerking De controle/oplevering van een binnengasinstallatie is verplicht vóór de opening (of heropening) van de meter door de distributienetbeheerder (DNB), en na elke wijziging van de installatie, in toepassing van het KB van 28 juni 1971 (art. 48).
Concreet
Deze opmerking herinnert eraan dat een binnengasinstallatie gekeurd moet worden voordat de distributienetbeheerder de meter opent of heropent, en na elke wijziging. Die verplichting staat in een koninklijk besluit. Het is geen inbreuk.
GAZ-R02 Opmerking Het conformiteitsattest mag enkel worden afgeleverd door een Cerga-erkende installateur of, bij gebreke daaraan, vergezeld van een verslag van een erkend controleorganisme (BELAC-geaccrediteerd en Cerga-erkend).
Concreet
Deze opmerking verduidelijkt wie het conformiteitsattest van de installatie mag opmaken: een daartoe bevoegde gasinstallateur of, bij gebrek daaraan, een attest samen met het verslag van een erkend controleorganisme. Het is geen inbreuk.
GAZ-R05 Opmerking De classificatie van de toestellen (types A, B, C) staat niet langer in NBN D 51-003 en wordt voortaan geregeld via verwijzing naar de Europese norm NBN EN 1749.
Concreet
Deze informatieve opmerking verduidelijkt dat de indeling van gastoestellen in de types A, B en C niet langer in de norm NBN D 51-003 staat, die nu verwijst naar de Europese norm NBN EN 1749. Het is geen inbreuk.
En daarna?
- 1. Laat herstellen
Een gekwalificeerde vakman herstelt de vastgestelde punten. Bij een vraag naar een document bezorgt u het gevraagde document.
- 2. Vraag de herkeuring aan
Een nieuw bezoek stelt vast dat de inbreuken verholpen zijn, binnen de termijn vermeld op uw verslag.
- 3. Ontvang het nieuwe verslag
De keurder controleert de herstelde punten en stelt een nieuw verslag op.