Naar de inhoud

Norm NBN D 51-003 · Open toestellen < 70 kW · BELAC ISO 17020

Ventilatie en luchttoevoer: de regels voor uw gastoestel

Een "open" gasketel of geiser verbruikt de lucht van de ruimte waarin hij staat. Zonder correct gedimensioneerde toevoer van verbrandingslucht en zonder boven- en onderventilatie verloopt de verbranding onvolledig en ontstaat koolstofmonoxide. Het is één van de meest gecontroleerde — en meest afgekeurde — hoofdstukken van de gaskeuring. Deze Atlas-fiche zet de doorlaten in cm²/kW op een rij, legt de regels uit voor de ketel in een kast of stooklokaal, somt de verboden ruimten op en toont wat de inspecteur nakijkt.

Luchttoevoer

Permanent en niet afsluitbaar

Een opening in elke ruimte met een open toestel, gedimensioneerd in cm² per geïnstalleerde kW, nooit kleiner dan 50 cm².

Onder- + bovenventilatie

Het verplichte duo

De luchttoevoer doet dienst als onderventilatie; de bovenventilatie voert vervuilde lucht af met minstens 1/3 van de onderste doorlaat (min. 50 cm²).

Verboden ruimten

Type B: nooit in de badkamer

Slaapkamer, badkamer, stortbadruimte en WC zijn verboden voor open toestellen type B — sinds 2015 ook bij vervanging.

Waarom een open gastoestel lucht nodig heeft

Toestellen van type A en type B heten "open": hun verbrandingskamer staat in verbinding met de omgevingslucht. Elke verbrande kW verbruikt een aanzienlijk luchtvolume — lucht die voortdurend ververst moet worden. Gebeurt dat niet, dan krijgt de vlam zuurstof tekort en wordt de verbranding onvolledig, met CO-vorming tot gevolg. Een gesloten toestel type C haalt zijn lucht daarentegen van buiten: het ontsnapt aan de meeste regels van deze pagina (maar niet aan alle — zie verder).

De norm onderscheidt twee complementaire functies die vaak door elkaar gehaald worden:

  • De toevoer van verbrandingslucht: het toestel de zuurstof geven die het voor de verbranding nodig heeft. Een rechtstreekse veiligheidseis.
  • De ventilatie van de opstellingsruimte (onder + boven): een goede binnenluchtkwaliteit handhaven en oververhitting beperken — de binnentemperatuur van het lokaal mag niet boven 40 °C uitstijgen.

In de praktijk geldt voor een open toestel dat de toevoeropening voor verbrandingslucht meteen ook als onderventilatie mag dienen: een tweede gat onderaan de muur is niet nodig. De bovenventilatie blijft echter een aparte, verplichte voorziening. En net daar loopt het bij oudere installaties mis: het bovenste rooster werd dichtgemaakt "omdat het tochtte", of heeft nooit bestaan.

Toevoer van verbrandingslucht: de algemene regels

Elke ruimte waarin een open toestel staat, moet een voldoende en permanente luchttoevoer hebben. Drie principes dragen het hele hoofdstuk:

  1. Niet afsluitbaar, zonder uitzondering. De opening mag geen enkele voorziening bevatten waarmee ze kan worden dichtgezet. Een rooster met schuif, een klep, een afneembaar deksel: stuk voor stuk onmiddellijke inbreuken.
  2. Onderaan de opstellingsruimte — bijvoorbeeld 10 cm boven de vloer. Belangrijke nuance: worden de verbrandingsgassen afgevoerd via een afvoerkanaal (toestel type B), dan mag de luchttoevoeropening ook bovenaan de ruimte uitmonden. De openingen moeten bovendien zo geplaatst zijn dat ze geen hinder (tocht) veroorzaken voor de bewoners.
  3. In rechtstreekse verbinding met buiten, hetzij via een opening in een buitenwand van het lokaal, hetzij via een luchttoevoerkanaal.

De uitzondering van de doorstroomopeningen

Heeft het stooklokaal geen buitenmuur, dan mag de lucht uitzonderlijk via maximaal twee doorstroomopeningen (roosters in een binnendeur of -wand) aangevoerd worden, maar enkel als drie voorwaarden tegelijk vervuld zijn:

  • het geïnstalleerd nominaal vermogen bedraagt maximaal 30 kW;
  • het gaat om een bestaand gebouw;
  • het betreft een toestel type A, een toestel type B, of het bijplaatsen van een toestel in een ruimte die geen slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of toiletruimte is.

Verboden bij nieuwbouw

De toevoer van verbrandingslucht via een doorstroomopening is altijd verboden voor een centrale-verwarmingsinstallatie in een nieuwbouw of een renovatie met bouwvergunning. Daar moet de lucht rechtstreeks van buiten komen, via een opening of via een kanaal.

Eén opening voor alles? Het geval van het keldergat

Eenzelfde opening mag niet tegelijk als luchttoevoer en luchtafvoer dienen — de binnenkomende en uitgaande lucht zouden elkaar kortsluiten. De norm duldt één uitzondering: een enkel keldergat in het hoogste gedeelte van de opstellingsruimte (typisch een kelder), op voorwaarde dat de diepte van de ruimte vanaf de buitenmuur niet groter is dan 5 m en dat de vrije oppervlakte van het keldergat minstens 5 keer de door de norm vereiste toevoeropening bedraagt.

Dimensionering: hoeveel cm² voor uw toestel?

De doorlaat van elke opening wordt berekend in cm² per kW geïnstalleerd nominaal vermogen, volgens het type toestel en de weg die de lucht aflegt. Hoe meer omwegen de lucht maakt (doorstroomopeningen), hoe groter elke opening moet zijn. Twee absolute ondergrenzen komen daar bovenop: geen enkele opening mag kleiner zijn dan 50 cm², en een toestel type A1AS vereist minimaal 150 cm². De doorstroomopeningen moeten dezelfde doorlaat hebben als de luchttoevoeropening.

Type toestel Bestaand gebouw (cm²/kW per opening) Nieuw of gerenoveerd gebouw
Opening rechtstreeks naar buiten Opening + 1 doorstroomopening Opening + 2 doorstroomopeningen Enkel opening rechtstreeks naar buiten
Type A (fornuis, oven…) 13 cm²/kW 18 cm²/kW 23 cm²/kW 13 cm²/kW
Type B1 (atmosferische B11BS…) 6 cm²/kW 8 cm²/kW 10 cm²/kW 6 cm²/kW
Type B2 / B3 (met ventilator) 3 cm²/kW 4 cm²/kW 5 cm²/kW 3 cm²/kW
Absolute minima Nooit minder dan 50 cm² per opening — minstens 150 cm² voor een toestel A1AS

Rekenvoorbeeld

Atmosferische B11BS-ketel van 24 kW in de berging van een bestaand gebouw, met een opening die rechtstreeks op buiten uitgeeft: 24 kW × 6 cm²/kW = 144 cm² vrije doorlaat minimum. Moet de lucht via een doorstroomopening in de deur passeren, dan moeten de buitenopening ÉN het deurrooster elk 24 × 8 = 192 cm² halen.

De uitsparing onder de deur

Een doorstroomopening mag de vorm aannemen van een blijvende uitsparing onderaan een toegangsdeur: minimaal 2,5 cm hoog en met een doorlaat van minstens 150 cm². Het is de klassieke oplossing voor een binnenliggend stooklokaal of een ketel in een kast — al moet de uitsparing dan wel echt bestaan en niet geneutraliseerd zijn door een dorpel of een tochtborstel.

Luchttoevoer via een kanaal

Geeft geen enkele wand van het lokaal op buiten uit, dan kan de verbrandingslucht via een luchttoevoerkanaal worden aangevoerd — horizontaal of verticaal, desnoods dwars door één of meer andere lokalen. Het kanaal moet dan:

  • luchtdicht zijn ten opzichte van de lokalen die het doorkruist en gladde wanden hebben;
  • geen enkele afsluitvoorziening bevatten;
  • zo gedimensioneerd zijn dat het drukverlies beperkt blijft tot 3 Pa wanneer de rookgassen met natuurlijke trek worden afgevoerd, met een minimale doorlaat berekend volgens de norm NBN B 61-001 of NBN B 61-002 in functie van het geïnstalleerde vermogen.

Bij een horizontaal kanaal moet de uitmonding in de open lucht liggen, in een gevelvlak dat aangrenzend is aan het dakvlak waarin het rookgasafvoerkanaal uitmondt — zodat luchtinlaat en rookgasuitlaat dezelfde windomstandigheden ondergaan.

Bij een verticaal kanaal via het dak gelden drie cumulatieve eisen: het uiteinde op het dak moet in de overdrukzone uitmonden, voorzien zijn van een kruiskap (aanzuigterminal), en het kanaal moet onderaan doorlopen tot 30 à 50 cm boven de vloer van de opstellingsruimte. Een verticaal kanaal zonder kruiskap dat halfweg de ruimte stopt, is uitdrukkelijk verboden. Er bestaat ook een tweede optie: het verticale kanaal dat langs de onderzijde van buitenuit gevoed wordt, met uitmonding in een gevelvlak aangrenzend aan het dakvlak van de rookgasafvoer.

Boven- en onderventilatie van de opstellingsruimte

Elke ruimte waarin een open verbruikstoestel staat, moet geventileerd worden met een onderventilatie en een bovenventilatie. De norm voorziet enkele uitzonderingen: toestellen type C die geen cv-ketel zijn, fornuizen en kookplaten, huishoudelijke ovens en komforen of laboratoriumbranders. Voor al de rest — ketels, geisers, aangesloten gaskachels — is het duo verplicht.

Onderventilatie: al gedekt door de luchttoevoer

Voor een open toestel mag de toevoeropening voor verbrandingslucht ook als onderventilatie beschouwd worden: er is geen bijkomende opening nodig. Logisch — de verbrandingslucht komt al onderaan het lokaal binnen.

Bovenventilatie: minstens 1/3 van de onderventilatie, minimum 50 cm²

De bovenventilatie voert vervuilde lucht en warmte af. Haar doorlaat moet minstens 1/3 van de doorlaat van de luchttoevoer bedragen, met een absoluut minimum van 50 cm². Ze kan op drie manieren worden uitgevoerd:

  • Een opening — aangebracht in het hoogste gedeelte van de ruimte, rechtstreeks uitmondend in de buitenlucht, hoger dan het uitlaatniveau van eventueel aanwezige toestellen type A. De toevoeropening, de uitmonding van de bovenventilatie en de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal moeten zich in aangrenzende dak- en gevelvlakken bevinden.
  • Een apart kanaal — met een doorlaat minstens gelijk aan die van de luchttoevoer, stijgend en recht over zijn hele lengte, beginnend op minstens 1,80 m boven de vloer van de ruimte (en boven het uitlaatniveau van toestellen type A). De uitmonding moet lager liggen dan die van het rookgasafvoerkanaal en buiten elke statische overdrukzone. Dit kanaal mag geen andere ruimten ventileren, en de materialen en verbindingen moeten dichtheid en corrosiebestendigheid waarborgen.
  • Het rookgasafvoerkanaal van een toestel B11BS — enkel toegelaten als er precies één toestel B11BS op dat individuele afvoerkanaal is aangesloten, en als de onderrand van de trekonderbreker zich op minstens 2/3 van de hoogte van de ruimte boven de vloer bevindt.

Vaak vergeten detail: een ruimte met enkel een cv-ketel type C moet tóch geventileerd worden als de verhouding tussen het geïnstalleerde vermogen en de inhoud van het lokaal zo groot is dat de warmte niet kan worden afgevoerd — de grens van 40 °C binnentemperatuur geldt voor alle types. Start uw project van nul, dan blijft een gesloten toestel de eenvoudigste weg: lees onze fiche gasketel zonder schoorsteen.

Mechanische ventilatie, ventilatiesysteem C/D en dampkap: de valkuilen van onderdruk

Recente woningen hebben mechanische ventilatie (systeem B, C of D). Een afzuiging die het lokaal in onderdruk zet, kan echter de trek van een open toestel omkeren en de rookgassen de ruimte in duwen. De norm regelt de combinatie daarom strikt:

  • het ventilatiedebiet van het lokaal moet minstens 7 l/s (25,2 m³/u) bedragen;
  • een toestel type C mag zonder beperking in een mechanisch geventileerd gebouw worden geplaatst;
  • een toestel type B zonder ventilator mag enkel in een stooklokaal dat niet in verbinding staat met het mechanisch geventileerde deel van het gebouw;
  • na de installatie moet de goede werking van het toestel gecontroleerd worden terwijl het ventilatiesysteem draait in de minst gunstige omstandigheden, bv. op maximaal vermogen.

In ruimten met mechanische afvoer (systemen C en D) is een toestel type B enkel toegelaten in drie welbepaalde situaties: een toestel met ventilator waarvan het aansluitkanaal luchtdicht is (drukklasse P1), aangesloten op een individueel luchtdicht afvoerkanaal en met een brander die ondergeschikt is aan het luchtdebiet van de ventilator; een onafhankelijke afzuigventilator in het afvoerkanaal met ondergeschikte brander en een toestel B11BS (enkel als noodoplossing); of een collectief VMC-gassysteem met een toestel B11CS.

De 160 cm²-regel voor de dampkap

Een dampkap, droogkast of gelijkaardig afzuigsysteem met afvoer naar buiten mag enkel samen met een toestel type B (maximaal 30 kW) in dezelfde ruimte staan als het toestel tegelijk aan één van de drie bovenstaande situaties voldoet ÉN er een bijkomende luchttoevoer van buitenaf van 160 cm² per 100 m³/u afgezogen lucht wordt voorzien.

Cijfervoorbeeld: een dampkap van 60 cm met een debiet van 350 m³/u vraagt 350 × 160 / 100 = 560 cm² extra luchttoevoer. Een recirculatiedampkap, zonder afvoer naar buiten, stelt geen bijkomende eisen.

Waar mag het toestel staan? Kast, badkamer, technisch lokaal

De verboden ruimten voor toestellen type B

Algemene regel: een toestel type B mag niet opgesteld worden in een slaapkamer, badkamer, stortbadruimte of WC. Sinds 1 september 2015 is het bovendien verboden om er een bestaand type B-toestel te vervangen door een toestel van hetzelfde type — de vervanging moet met een gesloten toestel gebeuren. Dezelfde logica geldt voor de keukengeiser A1AS: sinds die datum niet meer te plaatsen of te vervangen; hij was enkel bestemd voor onderbroken gebruik en mocht nooit een stortbad, bad of zitbad voeden.

De ketel in een kast: mogelijk, onder voorwaarden

Heel wat Belgische appartementen verstoppen de ketel in een kast, muurkast of bergruimte. De regel is dubbel: de kast én de ruimte waarin ze uitmondt moeten allebei voldoen aan de toestelgebonden eisen (luchttoevoer, ventilatie). Praktische uitzondering: staat de kast niet in verbinding met de ruimte (afgesloten kast met eigen permanente luchttoevoeropeningen), dan zijn er geen bijkomende voorzieningen nodig voor de ruimte. Bij de keuring controleert de inspecteur of de roosters van de kast er echt zijn — volle deuren en overschilderde of dichtgestopte openingen zijn klassiekers onder de inbreuken.

Cv-ketel type B ≤ 30 kW

Een cv-ketel type B tot 30 kW wordt bij voorkeur opgesteld in een ruimte die niet bediend wordt door het ventilatiesysteem van het gebouw — en in geen geval in een slaapkamer, badkamer of stortbadruimte. Staat hij toch in een ruimte die door het ventilatiesysteem bediend wordt, dan komen er drie voorwaarden bij: de opstellingsruimte moet voldoen aan de eisen inzake luchttoevoer en ventilatie van deze pagina, het ventilatiesysteem moet conform de norm NBN EN 12792 zijn (tenzij de ketel in een afgesloten kast staat waarin de permanente luchttoevoer uitmondt), en het geluidsniveau moet de NBN S 01-401 respecteren.

Cv-ketel type B tussen 30 en 70 kW

Boven 30 kW worden de eisen strenger. In een eengezinswoning is de plaatsing verboden in elke ruimte met een woonfunctie en in een toiletruimte of WC; aanbevolen wordt een afzonderlijke cv-ruimte, maar een garage of berging blijft toegelaten. In andere gebouwen — appartementsgebouwen (individuele of collectieve installaties), kantoren, winkels — moet de ketel verplicht in een technisch lokaal staan. En vanaf 70 kW verandert het regime volledig: dan gelden de regels van de stookruimte boven 70 kW.

Vrije ruimte, vorstbescherming en brandweerstand

Vrije ruimte rondom het toestel

De eerste regel is de instructies van de fabrikant volgen. Bij gebrek daaraan gelden de CERGA-aanbevelingen — ook voor toestellen type C: een vrije hoogte van minstens 2 m vanaf de grond, een vrije ruimte van minstens 0,8 m vóór het toestel, minstens 0,80 m tussen de zij- of achterkant van het toestel en een verticale wand en tussen twee toestellen — behalve als die ruimten nooit toegankelijk moeten zijn, in welk geval een minimum van 0,10 m blijft gelden.

Bescherming tegen vorst

De opstellingsruimte moet zo geconstrueerd en ingericht zijn dat er geen bevriezingsgevaar bestaat voor de cv-ketel en zijn toebehoren. Dat punt verdient aandacht net omwille van de ventilatie: een garage of bijgebouw met correcte permanente luchttoevoeropeningen staat per definitie open naar buiten. Daar moet de inrichting van het lokaal en de plaatsing van het toestel rekening mee houden — de roosters dichtstoppen in de winter is nooit de oplossing.

Brandweerstand van het technisch lokaal (30 tot 70 kW)

In gebouwen die onder het koninklijk besluit "brand" vallen, moeten de wanden van het technisch lokaal met een installatie van 30 tot 70 kW een brandweerstand hebben die afhangt van de grootte van het gebouw (deze bepalingen gelden niet voor lokalen waarin enkel gesloten gastoestellen met mechanische trek staan):

Type gebouw Brandweerstand van de wanden
Laag gebouw met één bouwlaagEI 30
Laag gebouw met meerdere bouwlagenEI 60
Middelhoog gebouwEI 60
Hoog gebouwEI 120

Daar komen eisen bij rond de uitgangen van het lokaal (deuren EI1 30 of EI1 60 volgens de gebouwhoogte, geventileerde sassen van minimum 2 m² bij hoge gebouwen) en maximale evacuatieafstanden binnen het technische compartiment. Dat luik hoort bij de vergunning en het gebouwontwerp; bij de gaskeuring toetst Atlas de samenhang van het geheel aan het geïnstalleerde vermogen.

De vaakst vastgestelde ventilatie-inbreuken bij de keuring

Bij de gaskeuringen BELAC ISO 17020 (instelling nr. 663-INSP) is het hoofdstuk ventilatie goed voor een flink deel van de opmerkingen. Onderstaand overzicht bundelt de situaties die onze inspecteurs het vaakst aantreffen in woningen — handig als zelfdiagnose vóór de komst van de inspecteur of vóór een verkoop. Voor het volledige verloop van de keuring: zie de gids van de gaskeuring en de fiche veiligheidseisen voor een bestaande gasinstallatie.

Luchttoevoer

  • Toevoerrooster dichtgemaakt (plakband, schuim, meubel, verf)
  • Geen opening in het lokaal met het open toestel
  • Doorlaat te klein voor het geïnstalleerde vermogen
  • Rooster met regelbare schuif (afsluitbaar = verboden)
  • Deuruitsparing geneutraliseerd door dorpel of tochtborstel

Ventilatie en lokaal

  • Bovenventilatie afwezig of kleiner dan 1/3 van de onderventilatie
  • Toestel type B in de badkamer of na 2015 identiek vervangen
  • Ketelkast zonder roosters, gastruimte niet conform
  • Dampkap met buitenafvoer zonder compenserende luchttoevoer
  • Atmosferische type B-ketel in een woning met ventilatiesysteem in onderdruk

Goed nieuws: de meeste van deze gebreken zijn goedkoop te verhelpen — een opening boren of vrijmaken, een niet-afsluitbaar rooster plaatsen, een deuruitsparing vergroten. Het echte risico is ze te negeren: een open toestel met luchttekort produceert CO zonder enig zichtbaar teken.

Veelgestelde vragen

Welke doorlaat moet de luchttoevoer van mijn gasketel hebben?

De doorlaat wordt berekend in cm² per kW geïnstalleerd nominaal vermogen, volgens het type toestel en de weg die de lucht aflegt. Voor een opening die rechtstreeks op de buitenlucht uitgeeft: 13 cm²/kW voor een type A, 6 cm²/kW voor een type B1 (atmosferische B11BS-ketel), 3 cm²/kW voor een type B2 of B3. Loopt de lucht via doorstroomopeningen (enkel toegelaten in een bestaand gebouw), dan moet elke opening groter zijn: tot 10 cm²/kW voor een B1 met twee doorstroomopeningen. In alle gevallen mag geen enkele opening kleiner zijn dan 50 cm², en voor een toestel type A1AS geldt minimaal 150 cm² voor zowel onder- als bovenverluchting.

Mag mijn gasketel in een kast staan?

Ja, op voorwaarde dat een dubbele regel gerespecteerd wordt: zowel de kast ALS de ruimte waarin ze uitmondt moeten voldoen aan de eisen inzake luchttoevoer en ventilatie die bij het geïnstalleerde toestel horen. Uitzondering: staat de kast niet in verbinding met de ruimte (een afgesloten kast met eigen permanente luchttoevoeropeningen), dan gelden er geen bijkomende voorzieningen voor de ruimte zelf. Het is een klassieke opstelling in appartementen, maar in de praktijk vaak niet conform: volle deuren zonder roosters, dichtgemaakte of ontbrekende openingen.

Mag een gastoestel type B in de badkamer hangen?

Nee. Open toestellen van het type B (die hun verbrandingslucht uit het lokaal halen) zijn verboden in slaapkamers, badkamers, stortbadruimten en WC’s. Sinds 1 september 2015 is het bovendien verboden om een bestaand type B-toestel in die ruimten te vervangen door een toestel van hetzelfde type: de vervanging moet gebeuren door een gesloten toestel type C. Bij een keuring noteert Atlas deze situatie systematisch als een inbreuk.

Wat is het verschil tussen onderventilatie en bovenventilatie?

De onderventilatie brengt verse lucht binnen onderaan de ruimte: bij een open toestel mag de toevoeropening voor verbrandingslucht die rol vervullen, zonder extra opening. De bovenventilatie voert vervuilde lucht en warmte af via het hoogste gedeelte van de ruimte: haar doorlaat moet minstens 1/3 van die van de onderventilatie bedragen, met een minimum van 50 cm². Ze kan een eenvoudige opening naar buiten zijn, een stijgend kanaal, of het rookgasafvoerkanaal van één enkel toestel type B11BS.

Mag ik het ventilatierooster dichtmaken tegen de tocht?

Nooit. De toevoeropeningen voor verbrandingslucht moeten permanent zijn en mogen niet afsluitbaar zijn: geen klep, geen schuif, geen plakband, geen meubel voor het rooster. Een open toestel dat verbrandingslucht tekortkomt, verbrandt slecht en produceert koolstofmonoxide — een geurloos en dodelijk gas. Stoort het rooster, dan biedt de norm oplossingen: de opening verplaatsen (ze mag bovenaan uitmonden wanneer de rookgassen via een afvoerkanaal vertrekken), werken met een luchttoevoerkanaal, of het toestel vervangen door een gesloten type C dat geen lucht uit het lokaal verbruikt. Een dichtgemaakt rooster is één van de vaakst vastgestelde inbreuken bij de keuring.

Kan een dampkap mijn gasketel verstoren?

Ja, en dat is gevaarlijk. Een dampkap met afvoer naar buiten zet het lokaal in onderdruk en kan de trek van een open toestel omkeren: de rookgassen stromen terug de ruimte in. De CERGA-regels laten de combinatie dampkap + toestel type B (maximaal 30 kW) in dezelfde ruimte enkel toe als het toestel aan strikte aansluitvoorwaarden voldoet EN als er een bijkomende luchttoevoer van 160 cm² per 100 m³/u afgezogen lucht voorzien wordt. Voorbeeld: een dampkap van 350 m³/u vereist 560 cm² extra luchttoevoer. Een recirculatiedampkap (zonder afvoer naar buiten) stelt geen bijkomende eisen.

Wat controleert Atlas Contrôle op de ventilatie tijdens de gaskeuring?

De BELAC ISO 17020-inspecteur controleert: (1) de aanwezigheid van een permanente, niet-afsluitbare luchttoevoer in elk lokaal met een open toestel; (2) de doorlaat ervan in verhouding tot het geïnstalleerde vermogen (cm²/kW volgens type A, B1, B2/B3); (3) de bovenventilatie (doorlaat van minstens 1/3 van de onderventilatie, minimum 50 cm²); (4) de geschiktheid van het lokaal (geen type B in badkamer, slaapkamer of WC); (5) de wisselwerking met mechanische ventilatie en dampkappen; (6) voor 30-70 kW, de opstelling in een technisch lokaal met brandwerende wanden. Elke tekortkoming komt als inbreuk in het keuringsverslag.

Twijfels over de ventilatie van uw stooklokaal?

Gaskeuring BELAC ISO 17020 vanaf 165 € — offerte binnen 4 u, afspraak binnen 24-48 u, rechtsgeldig keuringsverslag.

Bereken uw offerte in 30 seconden

Indicatieve prijs onmiddellijk, vrijblijvend.

of