Naar de inhoud

De omvormer aansluiten op het verdeelbord: aparte kring, beveiligingen, C10/11

Gids zonnepanelen installeren — hoofdstuk 12/16

Zodra het PV-veld aan DC-zijde bekabeld is (hoofdstuk 11) en de omvormer geplaatst is, rest nog de aansluiting van de wisselstroomuitgang op de binneninstallatie — en precies daar wordt de conformiteit van het geheel beslist. Een PV-installatie toevoegen betekent minstens één kring toevoegen: het AREI beschouwt dat als een belangrijke uitbreiding van de elektrische installatie, onderworpen aan het volledige Reglement en aan een keuring door een erkend organisme. En zodra er injectie op het net is, gelden de Synergrid-voorschriften, opgelegd door de distributienetbeheerder (in Vlaanderen: Fluvius). Dit hoofdstuk is opgesteld door Atlas Contrôle, erkend organisme BELAC ISO 17020 nr. 663-INSP. Installateur en klaar om u te laten certificeren? Onze Atlas Academy bereidt u voor op de RESCert-certificering.

Goed om weten: Atlas Contrôle verkoopt noch installeert zonnepanelen — wij keuren fotovoltaïsche installaties in volle onafhankelijkheid. En de chronologie is strikt: injectie op het net is pas toegelaten na de keuring van de installatie door het erkend organisme.

De aparte kring van de omvormer

De AC-uitgang van de omvormer wordt nooit op een bestaande kring aangesloten (stopcontact, verlichting of gemengde kring): hij voedt het verdeelbord via een aparte kring, beveiligd door een eigen automaat. Telt de installatie meerdere omvormers, dan schrijven de regels van goed vakmanschap één automaat per omvormer voor.

Het kaliber van de automaat kiest men niet lukraak: het komt overeen met de nominale stroom die de fabrikant van de omvormer voorschrijft, in overeenstemming met de doorsnede van de AC-kabel. Als richtwaarde hanteren wij voor de omvormerleiding de volgende overeenkomst tussen geleiderdoorsneden en automaatkalibers:

Geleiderdoorsnede (mm²) Automaat (A)
2,5 20 A
4 25 A
6 40 A
10 63 A

De volledige keten aan AC-zijde leest u zo, van de omvormer naar het net — het is deze keten die het erkend organisme op uw eendraadschema zal terugvinden:

Omvormer Groenestroomteller (optioneel) Aparte automaat Differentieel 300 mA type A Verdeelbord Meter netbeheerder Net

Een klassieke valkuil: de toelaatbare stroom in het verdeelbord

Bij keuringen duikt één gebrek geregeld op: de overschrijding van de toelaatbare stroom in de componenten van het verdeelbord. Typisch voorbeeld: een netaansluiting beveiligd op 50 A en een omvormer die 20 A levert, die allebei op hetzelfde railstel toekomen, na een differentieel van 63 A. De doorverbinding kan dan tot 70 A voeren — meer dan de kammen en de differentieel aankunnen. De oplossing bestaat erin de topologie te herdenken: het vertrek van de omvormer (met zijn automaat van 20 A) zo plaatsen dat de gecombineerde stroom in de doorverbinding beperkt blijft tot 50 A.

Ander veelvoorkomend probleem op het terrein: een differentieel van 40 A geplaatst terwijl de automaat van de netbeheerder op 50 of 63 A eenfasig gekalibreerd is — het differentieeltoestel is dan ondergedimensioneerd in nominale stroom.

De AC-beveiligingen: automaat en differentieel

De PV-kring moet beveiligd zijn door een differentieelstroominrichting van 300 mA, type A, minstens op het fotovoltaïsche deel van de installatie. Die eis behoort tot de kernpunten van het AREI voor fotovoltaïsche installaties. Het type A (symbool: sinusoïde + gelijkgerichte halve golven) detecteert wisselstroomfouten en pulserende gelijkstroomfouten — onmisbaar achter een omvormer, waarvan de vermogenselektronica niet zuiver sinusvormige componenten kan opwekken. Om de types AC, A en B en de rol van elke beveiliging te situeren, zie onze gids automaat, differentieel, zekering. Controleer altijd de voorschriften van de fabrikant van de omvormer: sommige modellen vereisen een specifiek type of een specifieke gevoeligheid; de omvormer uit het volledige installatiedossier van hoofdstuk 16 heeft trouwens zijn eigen ingebouwde bewaking van de reststroom.

De AREI-eisen die aan AC-zijde en voor de aarding worden nagekeken, zoals ze voor de keuring gelden:

  • spanning van de fotovoltaïsche generator ≤ 750 V DC (laagspanning van de 1e categorie);
  • differentieel 300 mA type A op het PV-deel, met werkende testknop;
  • spreidingsweerstand van de aarding ≤ 30 Ω;
  • isolatieweerstand ≥ 500 kΩ;
  • aparte automaat voor de kring van de omvormer, gekalibreerd volgens de fabrikant;
  • automatische scheiding van de omvormer bij verlies van het net;
  • signalisatie: markering van de DC- en AC-geleiders, borden « Niet loskoppelen onder belasting » en « Elektrische installatie steeds onder spanning » op de juiste plaatsen aangebracht;
  • aarding van de metalen kaders en structuren (tenzij de fabrikant het verbiedt) via een beschermingsgeleider met een doorsnede minstens gelijk aan die van de AC-beschermingsgeleider, met een minimum van 2,5 mm² (mechanisch beschermd) of 4 mm² (niet beschermd).

Deze specifieke maatregelen zijn vastgelegd in hoofdstuk 7.112 van Boek 1 van het AREI (editie van 01.06.2020), gewijd aan huishoudelijke fotovoltaïsche installaties op laagspanning (≤ 10 kVA). Bij de keuring test het erkend organisme onder meer de werking van de differentieel via de testknop en door het opwekken van een foutstroom van minstens één keer de nominale gevoeligheid, evenals de onderbreking van het automatische scheidingssysteem in minder dan 5 seconden na het wegvallen van de netspanning.

De AC-kabel dimensioneren: verliezen en spanningsval

Twee criteria bepalen de doorsnede van de kabel tussen de omvormer en het injectiepunt, en het strengste van de twee haalt het:

1 De leidingverliezen

De som van de verliezen DC + AC is beperkt tot 2 % van het geïnstalleerd vermogen. Men berekent eerst de werkelijke DC-verliezen en kent het saldo toe aan de AC-zijde.

2 De AC-spanningsval

Beperkt tot 1 % van 230 V, dus 2,3 V, tussen de omvormer en het injectiepunt.

De formules (eenfasig en driefasig) en de gedetailleerde berekeningen komen aan bod in hoofdstuk 7 over de elektrische dimensionering, aan de hand van twee uitgewerkte voorbeelden. Onthoud hier de conclusies die voor de aansluiting tellen: in het eenfasige voorbeeld is het het criterium van 2 % verliezen dat de doorsnede bepaalt (4 mm² genormaliseerd, spanningsval dan ruimschoots conform); in het driefasige voorbeeld met korte verbindingen — het volledige installatiedossier van hoofdstuk 16 — voldoet de standaard 2,5 mm² zeer ruim aan beide criteria. In de praktijk: eenfasig met lange verbindingen — reken het uit, het verliescriterium haalt het vaak; driefasig en kort — beide criteria knellen weinig. Over de keuze van de kabel zelf (XVB, XGB…), zie onze gids van de kabeltypes.

De twee meettoestellen: groenestroomteller en meter van de netbeheerder

De groenestroomteller

De groenestroomteller, direct stroomafwaarts van de omvormer geplaatst, meet de brutoproductie van de installatie. Hij is optioneel in de zin van het AREI, maar blijft nodig zodra de productie gecertificeerd moet worden (toekenning van groenestroomcertificaten, vandaag vooral in Brussel). De eisen die daarbij gelden:

  • teller van klasse 2 of klasse B, met MID-markering (of gelijkwaardige Europese markering); de markering moet zichtbaar blijven na installatie — een punt dat bij de keuring wordt nagekeken;
  • twee-, drie- of vierpolige uitvoering volgens de aansluiting;
  • zeer laag eigenverbruik (rond 0,7 VA / 1 W voor de gangbare modulaire modellen);
  • let op de aansluitrichting: het omwisselen van ingang en uitgang van de groenestroomteller is een van de klassieke indienststellingsfouten.
Evoluerende situatie: het regime van groenestroomcertificaten en premies verschilt sterk per gewest en verandert geregeld — check de geldende situatie (VREG in Vlaanderen, Brugel in Brussel, CWaPE in Wallonië) op het moment van uw project: de hier vermelde cijfers zijn indicatieve waarden van 2013-2021. Het hoofdstuk 4 over de regelgeving maakt de stand van zaken op, gewest per gewest.

De meter van de netbeheerder

De hoofdmeter is eigendom van de netbeheerder (Fluvius in Vlaanderen — ontstaan uit de fusie van Eandis en Infrax; Sibelga in Brussel; ORES, RESA, AIEG, AIESH en de Régie de Wavre in Wallonië). Een PV-installatie vereist een bidirectionele meter: hij registreert de afname (weergavecodes type 1.8.1 / 1.8.2, dag/nacht) en de injectie (codes 2.8.1 / 2.8.2) afzonderlijk.

De digitale meter (slimme meter) veralgemeent deze meting. Twee fysieke poorten laten toe de data uit te lezen: de P1-poort (elektriciteitsverbruik elke seconde, gas om de 5 minuten, RJ12-kabel) en de S1-poort (hoogfrequente data); de interface volgt de Nederlandse norm DSMR 5.0.2. De gebruikerspoorten staan standaard uit; in Vlaanderen activeert u ze via het klantenportaal van Fluvius, in Wallonië was de activering gratis op de dag van de plaatsing en nadien betalend (25 € excl. btw, tarief 2021, CWaPE) — tarieven en modaliteiten opnieuw te checken bij uw netbeheerder.

Een woordje geschiedenis: lange tijd luidde de klassieke controle « de meter van de netbeheerder draait achteruit » — het compensatieprincipe van de oude elektromechanische meters. Dat regime dooft uit: in Vlaanderen behoort de terugdraaiende teller definitief tot het verleden (digitale meter, apart injectietarief), in Wallonië is het einde van de compensatie geprogrammeerd (prosumententarief). Check de geldende regeling voor de vergoeding van de injectie bij de regionale regulator en uw netbeheerder. Het technische principe blijft wél overeind: nagaan dat de injectie correct door de meter van de netbeheerder wordt gemeten.

De Synergrid-voorschriften C10/11: ontkoppeling en injectie

De aansluiting van een decentrale productie-installatie die parallel op het distributienet werkt, valt onder het voorschrift Synergrid C10/11 — wij verwijzen hier naar de revisie van 2012; controleer systematisch de geldende versie op synergrid.be, evenals de C10/26-lijst van het gehomologeerde materieel (die de C10/22-lijst heeft vervangen). De structurerende punten voor woningen:

  • eenfasige aansluiting toegelaten als het maximale AC-vermogen van de omvormer ≤ 5 kVA;
  • meerfasige aansluiting: ≤ 10 kVA in totaal, met max. 5 kVA per fase en de aanbeveling de productie gelijkmatig over de fasen te verdelen;
  • werkingsgebieden: 80 % ≤ UAC ≤ 110 % van 230 V en 47,5 Hz ≤ f ≤ 50,2 Hz;
  • automatisch scheidingssysteem (ontkoppelingsbeveiliging): de omvormer moet zich in minder dan 5 seconden loskoppelen bij verlies van het net en mag niet opnieuw injecteren zolang de spanning niet hersteld is — de beveiliging tegen eilandwerking, getest bij de keuring;
  • de omvormer moet conform zijn (type VDE 0126, proeven in een ISO 17025-geaccrediteerd labo) en op de lijst van het door Synergrid erkende materieel staan (voorheen de C10/22-lijst, vandaag C10/26).

Het begrip « kleine installatie » hangt af van het onevenwicht tussen de fasen, niet alleen van het totaal. Onderstaande tabel (hypothese: driefasige aansluiting, waarden in VA per fase) is verhelderend:

Fase 1 Fase 2 Fase 3 « Kleine installatie »?
3 000 3 000 3 000 Ja
0 5 000 5 000 Ja
0 0 5 000 Ja
0 0 6 000 Nee — onevenwicht > 5 kVA
2 000 2 000 6 000 Nee — onevenwicht > 5 kVA mogelijk

De C10/11 regelt ook de aansluiting van thuisbatterijen — zie onze gids thuisbatterij & C10/11.

Eenfasig of driefasig?

De keuze volgt uit de bestaande aansluiting van de klant en het vermogen van de omvormer: boven 5 kVA AC is driefasig verplicht. Let bij driefasig op de verdeling per fase: injectie geconcentreerd op één enkele fase verhoogt lokaal de spanning en kan de omvormer in fout brengen door overspanning (overschrijding van de 110 % van 230 V). Een sprekend voorbeeld van een overschrijding van het injectievermogen: de goede oplossing is dan niet één eenfasige omvormer van 5 000 W, maar twee omvormers van 2 500 W, één per fase. Een natief driefasige omvormer, die symmetrisch op de drie fasen injecteert, lost de kwestie elegant op — de keuze uit het installatiedossier van hoofdstuk 16.

Noteer ook het nettype (met of zonder nulgeleider): het is een klassieke ontwerpfout om dat pas op het moment van de aansluiting te ontdekken.

Eendraadschema en situatieschema bijwerken

De PV-uitbreiding moet opgenomen worden in het technisch dossier van de installatie, dat aan het erkend organisme wordt voorgelegd en bij de klant bewaard blijft (elementen bedoeld in sectie 9.1.2 van het AREI):

  • het bijgewerkte eendraadschema: PV-veld met aantal en vermogen van de modules, DC-bekabeling, omvormer (merk, type, serienummer, AC-vermogen), eventuele groenestroomteller, aparte automaat, differentieel 300 mA type A, verbinding met het verdeelbord, meter van de netbeheerder, aardelektroden;
  • het situatieschema (liggingsplan): inplanting van de modules op het dak, plaats van de omvormer, de kasten, de meters en de kabeltracés;
  • de technische fiches en certificaten van de modules, de omvormer en de groenestroomteller.

Die schema's moeten « as built » opgesteld zijn — conform de werkelijke uitvoering, gedateerd en ondertekend. Het keuringsverslag vermeldt bovendien, specifiek voor PV (sectie 7.112.4 van het AREI): het aantal en het nominale vermogen van de modules, evenals het aantal, het type, het serienummer en het maximale AC-vermogen van de omvormers. Herinnering aan de chronologie: injectie op het net is pas toegelaten na de keuring van de installatie door het erkend organisme (hoofdstuk 13), en de indienststelling wordt voorafgegaan door het bezorgen van de documenten aan de netbeheerder — bijvoorbeeld de aanmelding bij Fluvius in Vlaanderen of het indienststellingsformulier < 10 kVA van ORES in Wallonië; formulieren en procedures checkt u actueel bij elke netbeheerder (zie het hoofdstuk 14 over de administratieve stappen).

Nog geen bijgewerkt eendraadschema? Onze online eendraadschema-tool genereert gratis een schema conform Boek 1, zonnepanelen inbegrepen.

Het voorbeeld uit het volledige installatiedossier: driefasige hybride omvormer

Het volledige installatiedossier (installatie van 9 modules van 435 Wp, samen 3,915 kWp, bij een klant in Henegouwen — van begin tot einde uitgewerkt in hoofdstuk 16) brengt dat alles samen met een Huawei SUN2000-3KTL-M1, een driefasige hybride omvormer (3 kW nominaal, 3,3 kVA max., maximale uitgangsstroom 5,1 A, uitgang 3 × 400 V + N ~ 50 Hz, batterij-interface LUNA2000, C10/11-conformiteit vermeld in de technische fiche). Aan AC-zijde:

  • verbinding omvormer → verdeelbord in XGB 5G2,5, lengte 5 m, beveiligd door een vierpolige automaat van 20 A;
  • verbinding verdeelbord → meter in EXVB 4×16 mm², 2 m;
  • differentieel 300 mA type A (40 A) op het PV-deel, terwijl de bestaande installatie beveiligd blijft door haar differentieel van 30 mA;
  • AC-spanningsval nagerekend: 0,18 % < 1 %; gemeten aardingsweerstand: 6 Ω ≤ 30 Ω;
  • eendraadschema en situatieschema met volledig ingevuld titelveld (erkend organisme, installateur, adres, EAN-code van het aansluitpunt, meternummer, datum) — het situatieschema combineert een inplantingsschets van de 9 modules met foto's van de toegang, het technische lokaal en het dak.

Natief driefasig garandeert per constructie een evenwichtige injectie; de hybride architectuur bereidt de toevoeging van opslag voor zonder het verdeelbord te herwerken.

Onthoud

  • De PV-installatie is een belangrijke uitbreiding in de zin van het AREI: aparte kring per omvormer, automaat gekalibreerd volgens de fabrikant en coherente AC-doorsnede (2,5 mm² → 20 A, 4 mm² → 25 A, 6 mm² → 40 A, 10 mm² → 63 A), verplichte keuring door een erkend organisme vóór elke injectie.
  • Differentieelbescherming: 300 mA type A minstens op het PV-deel; aarding ≤ 30 Ω, isolatie ≥ 500 kΩ; let op de toelaatbare stroom van het railstel van het bord (som netbeheerder + omvormer) en op het kaliber van de differentieel tegenover de automaat van de netbeheerder.
  • AC-dimensionering: verliezen DC + AC ≤ 2 % van het geïnstalleerd vermogen en spanningsval ≤ 1 %; men neemt de genormaliseerde doorsnede die aan het strengste criterium voldoet (methode en berekeningen in hoofdstuk 7).
  • Synergrid C10/11 (referentie: revisie 2012 — geldende versie controleren): eenfasig ≤ 5 kVA, driefasig ≤ 10 kVA met max. 5 kVA en onevenwicht ≤ 5 kVA per fase, automatische ontkoppeling < 5 s bij verlies van het net, omvormer opgenomen in de C10/26-lijst van het gehomologeerde materieel.
  • Groenestroomteller optioneel maar MID klasse 2/B, zichtbare markering, aansluitrichting gecontroleerd; meter van de netbeheerder bidirectioneel (codes 1.8.x / 2.8.x, P1/S1-poorten van de digitale meter) — compensatieregimes, prosumententarief en groenestroomcertificaten volop in beweging: actueel te checken.
  • Eendraadschema en situatieschema as built, technische fiches en certificaten: het volledige technisch dossier bepaalt de keuring en moet de modules (aantal, vermogen) en de omvormers (type, serienummer, PAC max.) vermelden.

Aansluiting klaar? Tijd voor de keuring

Werk uw eendraadschema bij, controleer uw beveiligingen met onze gids automaat & differentieel, en laat de installatie vervolgens keuren door een erkend organisme, in volle onafhankelijkheid — dat is ons vak.

Veelgestelde vragen

Welke automaat om een omvormer van zonnepanelen aan te sluiten?
De omvormer wordt aangesloten op een aparte kring, beveiligd door een eigen automaat — één per omvormer als de installatie er meerdere telt. Het kaliber komt overeen met de nominale stroom die de fabrikant van de omvormer voorschrijft, in overeenstemming met de doorsnede van de AC-kabel. Gangbare richtwaarden voor de omvormerleiding: 2,5 mm² → 20 A; 4 mm² → 25 A; 6 mm² → 40 A; 10 mm² → 63 A. Een omvormer sluit men nooit aan op een bestaande stopcontacten- of verlichtingskring.
Welke differentieel voor een fotovoltaïsche installatie?
Het AREI (hoofdstuk 7.112 van Boek 1, huishoudelijke fotovoltaïsche installaties ≤ 10 kVA) legt een differentieelstroominrichting van 300 mA, type A, op — minstens op het fotovoltaïsche deel van de installatie. Het type A detecteert wisselstroomfouten en pulserende gelijkstroomfouten — onmisbaar achter de vermogenselektronica van een omvormer. Controleer altijd de voorschriften van de fabrikant: sommige omvormers vereisen een specifiek type of een specifieke gevoeligheid, en let op het kaliber van de differentieel tegenover de automaat van de netbeheerder (een 40 A achter een aansluiting van 50 of 63 A is ondergedimensioneerd).
Mag je een omvormer op een bestaand stopcontact aansluiten?
Nee. De AC-uitgang van een klassieke fotovoltaïsche omvormer wordt nooit op een bestaande kring aangesloten (stopcontact, verlichting of gemengde kring): hij voedt het verdeelbord via een aparte kring, beveiligd door een eigen automaat en door een differentieel van 300 mA type A. Alleen « plug-and-play »-kits met zeer klein vermogen volgen een bijzonder regime — maar die gehoorzamen aan hun eigen regels en grenzen, los van een klassieke installatie.
Wat is het Synergrid-voorschrift C10/11?
Het is het referentiedocument van Synergrid (de federatie van de Belgische netbeheerders) voor de aansluiting van decentrale productie-installaties die parallel op het distributienet werken. Voor woningen: eenfasige aansluiting toegelaten tot 5 kVA AC-vermogen van de omvormer, meerfasig tot 10 kVA met maximaal 5 kVA per fase, werkingsgebieden in spanning (80 tot 110 % van 230 V) en in frequentie (47,5 tot 50,2 Hz), en ontkoppelingsbeveiliging: de omvormer moet zich in minder dan 5 seconden loskoppelen bij verlies van het net. De omvormer moet op de C10/26-lijst van het gehomologeerde materieel staan. Controleer altijd de geldende versie op synergrid.be.
Is een bidirectionele meter verplicht met zonnepanelen?
Ja: een fotovoltaïsche installatie vereist een bidirectionele hoofdmeter, die de afname (weergavecodes type 1.8.1 / 1.8.2) en de injectie (codes 2.8.1 / 2.8.2) afzonderlijk registreert. De digitale meter veralgemeent deze meting, met twee poorten voor het uitlezen van de data (P1 en S1). De meter is eigendom van de netbeheerder (Fluvius in Vlaanderen, Sibelga in Brussel, ORES of RESA in Wallonië…); de regimes voor de vergoeding van de injectie — compensatie, prosumententarief — evolueren snel: check de geldende modaliteiten bij uw netbeheerder en de regionale regulator.